Giftige bessen

Eind juni sloot deze rubriek met een natuurbeschouwing waarin zowel rozegeur als maneschijn aandacht kregen. Inmiddels loopt het derde kwartaal al aardig op zijn eind en is in de natuur het een en ander veranderd. Bloemen bloeiden uit, vruchtbeginsels werden vrucht, zaadknopjes zaad. Het loof hangt vol ooft. Allerwegen ziet men vogels zich te goed doen aan bessen, schijnbessen, peulen, doosvruchten en steenvruchten.

Wie nog geen jam van wilde vruchten maakte heeft een laatste kans in de oogst van bramen, rozebottels en bosbessen. Neemt men het zeven van pitjes en pitten voor lief dan valt ook uit te wijken naar vlier, duindoorn en sleedoorn. Stuk voor stuk goede grondstoffen voor jams waar men eer mee inlegt.

De vraag dringt zich op of ook al die andere bessen van besdragende struiken niet voor verwerking tot jam en gelei in aanmerking komen. Hulst, Gelderse roos, meidoorn, vogelkers en lijsterbes dragen dit jaar rijker dan ooit en in de tuin verdringen vogels zich rond vuurdoorn, cotoneaster en het sierlijke peperboompje.

Wie zijn experimentele fase in de jaren zeventig doormaakte herinnert zich hoe men destijds naast het eten van brandnetel, paardebloem en vogelmuur, werd aangespoord ook eens jam te maken van lijsterbes, vogelkers, mahoniebes en zuurbes - daar is het in 1974 verschenen prismaatje "Eetbare gewassen' (Veltman en Veltman) op na te slaan. Dat was overigens niet zo'n goed boekje, bericht mevrouw C. van D. te A. die inderdáád jam uit lijsterbes bereidde en een misselijkmakend produkt in handen kreeg dat zelfs tienmaal met appelmoes verdund braakverwekkend bleef. Dat lijsters van lijsterbessen genieten garandeert kennelijk niet dat de vruchtjes voor mensen smakelijk zijn. Hetzelfde geldt voor de bessen van het peperboompje die je, zegt een kenner, de bek uitbranden maar die nochtans gretig aftrek vinden bij vogels.

Interessanter is dat de bessen van het peperboompje (Daphne mezereum) tot de giftigste behoren die de natuur in Nederland voortbrengt. Ze delen die plaats slechts met de bessen van de zeldzame wolfskers (Atropa belladonna), op afstand gevolgd door de bessen van zwarte nachtschade en bitterzoet en de schijnbes van de taxus (aldus een overzicht in het Nederlands tijdschrift voor geneeskunde, 1989, 133, nr.35). Consumptie door vogels van wolfskersbessen is volgens het boekje "Birds and berries' van de Britse auteurs B. en D. Snow (Poyser, 1988) nog nooit waargenomen. Kennelijk is het hoge atropine-gehalte van de glimmend-zwarte, zoete bessen, waarvan mensen hot as a hare, blind as a bat, dry as a bone and mad as a wet hen kunnen worden, ook voor vogels een bezwaar. Maar de verwante zwarte nachtschade wordt soms wel gegeten. De schijnbes van de taxus is onder vogels zelfs bepaald populair.

Daarmee lijkt het bewijs wel geleverd dat vogels plantegiffen weerstaan die de mens opbreken. Dat heeft zijn consequenties voor de jammaker die zich oriënteert op nieuwe grondstoffen, maar ook voor de dierproeven waarmee de onschuldigheid van allerlei industriële voedingsadditieven worden aangetoond. Wat maakt die vogels zo resistent en heeft het nog zin kippen voor toegepast toxicologisch onderzoek in te zetten?

Prof.dr. W. Seinen, biologische toxicoloog in Utrecht, wijst erop dat natuurlijke gifstoffen van toxicologen verhoudingsgewijs weinig aandacht krijgen. Vaak is het aangrijpingspunt van het gif in het dierlijk metabolisme nog onbekend. Selectie van proefdieren voor toxicologisch onderzoek berust op pure empirie, men kiest simpelweg de gevoeligste proefdieren.

Bioloog drs. E.J. Weeda onderstreept dat de "giftigheid' van bessen niet te vergelijken is met die van paddestoelen. Veel meer dan darmstoornissen richten ze bij mensen meestal niet aan. ""In zuidelijke landen wordt uit de bessen van zwarte nachtschade gewoon jam gemaakt.'' Weeda weet moeiteloos meer voorbeelden te geven van bessen die door vogels worden verdragen hoewel ze voor mensen giftig heten (kardinaalsmuts, vogellijm, Gelderse roos, vuilboom, wegedoorn). Maar hij kent ook veel voorbeelden van giftige bessen die waarneembaar door vogels worden gemeden (aronskelk, slangewortel, eenbes, salomonszegel). En sterker nog, hij meent zich te herinneren dat vogels voor sommige min of meer giftige zaden, zoals die van schermbloemigen als karwij en komijn, juist gevoeliger zijn dan mensen en andere zoogdieren. Een systematische ongevoeligheid van vogels voor phytotoxinen komt zo niet in beeld. Mocht die er wel zijn dan weet Weeda daar overigens al op voorhand een evolutionaire mouw aan te passen: het is voor planten aantrekkelijker zich door vogels te laten verspreiden dan door zoogdieren. Met het vergif selecteren ze hun verspreider.

Ook emeritus hoogleraar dr. R. Hegnauer, chemotaxonoom, gelooft niet dat vogels plantegiffen stelselmatig beter verdragen dan zoogdieren omdat hij ook al de indruk heeft dat de giftigheid van veel planten sterk overdreven is (""bitterzoet wordt hier en daar als groente gegeten''), eigenlijk maar weinig vogelsoorten bessen eten (lijsters, spreeuwen, duiven, vinken) en die vogels vaak simpelweg voorkomen aan de giffen te worden blootgesteld. Soms zijn vooral onrijpe bessen giftig (zoals met de tomaat het geval is) en eten de vogels alleen rijpe vruchten. Mogelijk vedwijnt ook veel plantegif onder invloed van vorst. Dat zou verklaren waarom vogels pas laat in de winter aan de bessen van Gelderse roos en hulst beginnen. Bekend is dat de pruimpjes van sleedoorn pas na vorst hun wrangheid verliezen.

Belangrijker is wellicht dat vaak alleen de pitten, de zaden, in de vruchten giftig zijn. Omdat vogels niet kauwen, want geen kiezen hebben, passeren veel zaden het darmkanaal zonder dat enig gif vrij komt. Het is het stompzinnige kauwen, malen en knabbelen dat het herbivore zoogdier zijn vergiftiging bezorgt.