Eerste plan voor verstrekking heroïne dateert van 1983

ROTTERDAM, 10 SEPT. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam kwam in 1983 al met het plan om heroïne te gaan verstrekken aan verslaafden. In eerste instantie zou het moeten gaan om driehonderd junks, maar dat plan werd meteen van tafel geveegd door de Tweede Kamer en toenmalig staatssecretaris Van der Reijden (volksgezondheid).

Een jaar later kwamen B en W met het voorstel te gaan experimenteren met vijf verslaafden, die door de GG en GD op "medische indicatie' zouden worden geselecteerd. Buitenlandse gebruikers zouden in elk geval buiten het experiment gehouden moeten worden.

Toen al was het idee ingegeven door de machteloosheid van de politie. “Amsterdam is klaar voor het gevecht. Wij hebben het hele instrumentarium in stelling gebracht, maar alleen kunnen we het niet af”, lichtte burgemeester Van Thijn toe. Van der Reijden verwachtte van het kleine experiment ook niets, behalve dat Amsterdam nog sterker als magneet zou gaan fungeren voor buitenlandse verslaafden. “Het plan van de gemeente Amsterdam is hiermee definitief van de baan,” concludeerde de bewindsman op 19 december van dat jaar. Van der Reijden wilde trouwens ook een eind maken aan de verstrekking van methadon, een middel dat verslaafden nog steeds kunnen krijgen als vervanging voor heroïne.

Nog geen jaar later opperde de hoofdcommissaris van politie in Utrecht, mr. J. Wiarda dat drugs zouden moeten worden vrijgegeven, maar dan mondiaal. Hij verwachtte in dat geval vooral tegenstand van misdaadorganisaties. “De grootste tegenstand die Rossevelt ondervond bij het opheffen van de drooglegging kwaam uit die hoek”, zei Wiarda. De Stuurgroep Alcohol- en Drugbeleid vond het plan vlak daarop "onaanvaardbaar' in een advies aan de ministeries van WVC, justitie en binnenlandse zaken. Weer een jaar later liet minister Korthals Altes (justitie) weten dit soort plannen "buitengewoon kortzichtig' te vinden: “Heroïne en cocaïne zijn aanslagen op de volksgezondheid en daarom is het een crimineel feit deze ernstig verslavende middelen in de handel te brengen.” Het Europees Parlement concludeerde tegelijkertijd dat Wiarda's plannen onmogelijk waren.

Het Jellinekcentrum in Amsterdam kwam in mei '88 voorzichtig met het voorstel heroïne te verstrekken aan Aidspatiënten in verband met het infectiegevaar voor hun omgeving. Eind '89 kwam de Amsterdamse fractie van de PvdA in het verkiezingsprogramma opnieuw met een pleidooi voor het gratis verstrekken van heroïne, maar dan ook internationaal. De GG en GD in de hoofdstad was op dat moment van plan kosteloos morfine te gaan verstrekken aan "extreem problematische gevallen'.

In Rotterdam waren deze plannen tot dan niet aan de orde geweest. Precies een jaar geleden echter brak de Rotterdamse hoofdcommissaris van politie T. Reitsema een lans voor de legalisering van hard drugs op een symposium in de Pauluskerk. Een opmerkelijk punt in zijn verhaal was het pleidooi de verstrekking van verdovende middelen in het ziekenfondspakket onder te brengen. Maar hoe de legalisering precies vorm moest krijgen wist wethouder J. Henderson (sociale zaken), voorstander van legalisering toen ook al niet.