Aanbevelingen van Ter Beek tot nu toe halfhartig

Op een briefing van de PvdA verkondigde minister van defensie Ter Beek onlangs dat er gedacht moet worden aan uitbreiding van het Korps Mariniers voor de VN-operaties. Hij onderstreepte hiermee zijn voorkeur voor de inzet van mariniers boven die van landmachteenheden. Het is echter de vraag of dit een juiste keuze is.

Wanneer Ter Beek zijn zin krijgt, worden de mariniers uitgebreid met één bataljon. Dit zou ten koste kunnen gaan van het derde bataljon - naast de twee infanteriebataljons - voor de luchtmobiele brigade. Behalve over het amfibische bataljon, dat samenwerkt met de Britten en gespecialiseerd is in landingen in de Poolgebieden, beschikken de mariniers over een tweede bataljon dat bestemd is voor de Ace Mobile Force. Dit bataljon is snel inzetbaar, maar door zijn geringe gevechtskracht slechts van symbolische waarde bij een dreigende crisis. Beide bataljons kunnen ook voor VN-taken worden ingezet, zoals nu in Cambodja gebeurt.

Minister Ter Beek is evenals zijn PvdA-metgezel Maarten van Traa zeer gecharmeerd van de mariniers. Deze hebben ervaring met VN-operaties en bovendien - en dat is een gevoelig punt voor de naar pacifisme neigende PvdA - zijn zij licht bewapend.

De secretaris van de Verenigde Naties, Boutros Boutros Ghali, kondigde onlangs aan dat er bij toekomstige VN-operaties zwaardere eenheden beschikbaar zouden moeten worden gesteld, gezien het toenemende geweld in de crisisgebieden. De actuele ontwikkelingen in VN-aandachtsgebieden als Joegoslavië en Somalië en potentiële toekomstige aandachtsgebieden als Nagorny Karabach en Georgië tonen aan dat Boutros Ghali gelijk heeft. Hiermee is het idee van peace-keeping, waarbij elk gebruik van geweld wordt uitgesloten, op de helling komen te staan. In het pure peace-keeping model staat centraal dat er voorwaarden moeten worden geschapen voor een politieke oplossing van een conflict. De laatste jaren, zo constateert ook de Adviesraad Vrede en Veiligheid in het rapport Wat is de vrede ons waard?, worden de VN-vredesoperaties echter gecombineerd met peace-making: het vinden en realiseren van duurzame oplossingen van conflicten. Deze verschuiving houdt in dat de VN-operaties complexer worden en meer vragen van een militair apparaat. Bovendien suggereert de Raad een snel inzetbare VN-macht die preventief kan optreden. Deze eenheden moeten voldoende bewapend zijn om daadwerkelijk in preventieve zin een afschrikking te vormen tegenover een potentiële agressor. Deze eenheden moeten mee kunnen escaleren - iets waartoe lichtbewapende mariniers niet in staat zijn - met wijzigingen in een crisisgebied. Dit werkt niet alleen afschrikkend, maar ook het ingezette personeel loopt minder gevaar.

De vraag die de Nederlandse politiek zich zou moeten stellen is: willen wij eenheden leveren aan VN-operaties en - vooral - wat voor eenheden? Het beleid van Ter Beek is ambivalent. Aan de ene kant wil de minister het Nederlandse defensie-apparaat - vooral door een te vormen luchtmobiele brigade - inzetbaar maken voor de VN-acties. Dit duidt op een grote ambitie in het woelige internationale vaarwater. Anderzijds zegt Ter Beek door te willen gaan met vergaande bezuinigingen in de krijgsmacht, sluit hij toekomstige bezuinigingen niet uit en wijst hij de mariniers aan als aanvullende eenheid voor VN-operaties. Dit houdt in dat Ter Beek een schijnambitie ophoudt. Bij uitvoering van Ter Beeks ideeën is Nederland namelijk niet in staat aan de roep van Boutros Ghali gehoor te geven. De lichtbewapende mariniers kunnen in huidige en toekomstige conflicten slechts een marginale rol spelen.

Ter Beek heeft echter verscheidene malen te kennen gegeven dat de rol van Nederland in VN-operaties prominent mag zijn. Bij een prominente rol van Nederland zijn mariniers alleen volstrekt onvoldoende. In Cambodja kunnen zij hun taak niet of nauwelijks uitvoeren, aangezien zij te licht bewapend zijn. Dit heeft - ook doordat het VN-mandaat niet verder reikt dan lichte bewapening - alles te maken met hun zwakke logistieke en gevechtsondersteunende eenheden.

Ook bij de relatief eenvoudige VN-operaties in Noord-Irak in 1991, ter bescherming van de Koerden, moesten zij voor hun logistiek terugvallen op de Amerikanen. De mariniers konden niet door eigen logistieke eenheden worden voorzien van voedsel. Het amfibische bataljon kan door gebrek aan logistieke ondersteuning en materieel (in handen van de Britten) niet zelfstandig opereren en dus, mede door het specifieke karakter van dit bataljon, niet worden ingezet bij VN-acties.

De landmacht daarentegen heeft eenheden die niet alleen als licht bewapende infanterie kunnen worden ingezet, maar ook gewend is aan het optreden met gevechtsvoertuigen. Daarnaast zal op korte termijn de luchtmobiele brigade ter beschikking komen, waarvoor overigens nog fors geïnvesteerd moet worden. Het is ook logischer om in de luchtmobiele brigade te investeren en niet in een extra bataljon mariniers, aangezien bij de landmacht reeds de gevechtsondersteunende eenheden en logistieke eenheden voorhanden zijn - namelijk in de lichte brigade. Het zou derhalve een enorme kapitaalvernietiging zijn - en dat is toch niet de bedoeling van Ter Beek? - als hij de landmacht passeert. Door de politici en de media wordt teveel de nadruk gelegd op de "ruime' ervaring van de mariniers in VN-verband. De landmacht heeft meer ervaring met zowel peace-keeping (Namibië, Libanon) als peace-making (Noord-Irak).

Het wordt tijd dat Ter Beek duidelijk zijn doelen over een toekomstig functioneren van de Nederlandse krijgsmacht uiteenzet. Wanneer hij het niet aandurft om Nederlandse militairen in te zetten in risicovolle gebieden ver buiten het eigen grondgebied, verdient het publiek daarover te worden ingelicht. Dat is eerlijker dan een halfhartige schijn op te houden van ambitie en internationale bewogenheid. Als de minister ervoor kiest aan de oproep van Boutros Ghali en de conclusies van de Adviesraad Vrede en Veiligheid gehoor te geven, dan moet hij niet aankloppen bij de mariniers maar bij de landmacht. Deze beleidskeuze betekent, hoe wrang dat ook moge zijn voor sommige socialisten, dat er meer geld voor het defensie-apparaat moet worden uitgegeven, zoals ook Ter Beeks partijgenoot minister Pronk voorstelde. Wanneer Ter Beek alleen geld wil vrijmaken voor de mariniers, dan begint de marine verdacht veel te lijken op een landmacht of is Ter Beek in zijn achterhoofd van plan de marine en de landmacht in elkaar op te laten gaan?

    • Marcel Reijmerink