Topman wist van privé handel NMB-bankiers

ROTTERDAM, 9 SEPT. De topman van Internationale Nederlanden Groep (ING), voorheen voorzitter raad van bestuur NMB Postbank, W.E. Scherpenhuijsen Rom, heeft jarenlang de wijze waarop twee NMB-bestuurders privé handelden in aandelen goedgekeurd. De twee leden van de raad van bestuur van NMB Postbank zijn onlangs juist wegens deze privé-beleggingen door De Nederlandsche Bank op non-actief gesteld.

Dit blijkt uit een vertrouwelijke brief van de ING-topman aan de voorzitter van de beurs, drs. B.F. baron van Ittersum. Scherpenhuijsen Rom heeft vanochtend bevestigd dat hij de wijze waarop NMB-bestuurders handelden in aandelen heeft goedgekeurd, maar zegt geen inzicht te hebben gehad in individuele transacties van zijn mede-bestuurders.

De Nederlandsche Bank heeft volgens goedingelichte bronnen aangedrongen op het vertrek van twee leden van de raad van bestuur van ING Bank (tot vandaag de NMB Postbank), drs. A.A. Soetekouw en drs. I.E.G. van der Boor, en twee directeuren. Deze vier personen hebben inmiddels de bank verlaten.

Een onderzoek naar misbruik van voorwetenschap van de vertrokken bestuurders heeft tot nu toe niets opgeleverd. Er is een vervolgonderzoek in gang gezet.

Het handelen van De Nederlandsche Bank zou, volgens ingewijden, zijn ingegeven door ergernis over het optreden van de commissionair Oudhof, die in opdracht van de NMB'ers speculeerde.

Scherpenhuijsen Rom blijkt sinds 1990 op de hoogte van het bestaan van handel in aandelen door NMB Postbank-bestuurders via het Amsterdamse commissionairskantoor Oudhof. Dat blijkt uit zijn antwoord op een geheime brief van 1990 van het beursbestuur. Het controlebureau van het beursbestuur, de Vereniging Effectenbescherming, ontdekte dat bij handel in 1990 in het beursfonds Alanheri - via Oudhof - de NMB Postbank-bestuurders Soetekouw en Van der Boor betrokken waren.

Op de beurs is het niet gebruikelijk dat vertegenwoordigers van een beurslid - in dit geval NMB Postbank - buiten hun eigen kanalen om handelen maar via een derde - in dit geval commissionair Oudhof. De voorzitter van de vereniging Van Ittersum had daarom vervolgens een brief gestuurd naar Scherpenhuijsen Rom, waarin hij om opheldering vroeg. Scherpenhuijsen Rom, die toen topman van NMB Postbank was, heeft daarop geantwoord dat het bij de bestuurders van NMB Postbank toegestaan was een volmacht te geven voor aandelenhandel via een commissionair.

Pag 16: Beurshandel via derden gebruikelijk voor bankiers

Scherpenhuijsen Rom schrijft dat commissionair Oudhof "de beste oplossing' was. Van Ittersum heeft toen geen verdere stappen ondernomen.

Op het moment dat De Nederlandsche Bank ingreep bij de NMB Postbank had de bank nog geen inzicht in de regelingen bij de banken. De zogenoemde "vrije handregeling' - dat is de handel via een vermogensbeheerder, bijvoorbeeld een commissionair - blijkt heel gebruikelijk in het bankwezen. ABN Amro-topman mr.R. Hazelhoff bezit zelf ook zo'n overeenkomst. De Nederlandsche Bank vindt dat sommige van deze regelingen gevoelig zijn voor handel met voorkennis, omdat commissionairs soms toch overleg plegen met hun klant. De bank heeft tegen een juridisch waterdichte regeling geen bezwaar.

De Nederlandsche Vereniging van Banken, waarvan Scherpenhuijsen Rom voorzitter is, wil volgend jaar een vrijwel uniforme regeling voor alle banken invoeren om misbruik van voorwetenschap tegen te gaan. In het voorstel komt de "vrije handregeling' niet langer voor.

Scherpenhuijsen Rom vond, zo blijkt uit de brief aan Van Ittersum, de "vrije handregeling' aanvankelijk de beste. Hij schrijft dat hij vreesde dat de "privacy' van de bestuurders bij zijn eigen bank niet voldoende gewaarborgd zou zijn. Bovendien waarschuwde hij voor "leadeffecten': effectentransacties van bestuurders zouden navolging kunnen krijgen.

Scherpenhuijsen Rom is van gedachte veranderd na de publiciteit over Soetekouw: “De omstandigheid, dat bleek dat een vrije hand rekening geen waarborg biedt tegen opspraak en dat twijfel kan ontstaan over de vraag of transacties wel of niet door de rekeninghouder kunnen worden beïnvloed, was mede aanleiding voor de raad van bestuur voor het invoeren van een nieuwe regeling.”