Tarief vennootschapsbelasting voor buitenlandse bedrijven omlaag; Duitsland wil investeerders aantrekken

BONN, 9 SEPT. De vennootschapsbelasting voor buitenlandse (dochter)bedrijven in Duitsland wordt met ingang van 1994 beperkt van 46 tot 41 procent. Daarmee wil minister Theo Waigel (CSU, financiën) de Bondsrepubliek aantrekkelijker maken voor buitenlandse investeringen.

De fiscale verlichting voor buitenlandse bedrijven staat niet op zichzelf maar is een etappe van Waigels grote belastinghervormingsplannen die onder meer gericht zijn op versterking van de Duitse concurrentiepositie op de komende vrije EG-binnenmarkt. Bij het begin van de behandeling van zijn begroting-'93 in de Bondsdag maakte Waigel gisteren bekend dat vanaf 1994:

de vennootschapsbelasting op gereserveerde Duitse bedrijfswinsten daalt van 50 tot 44 procent, mede om eigen-vermogensposities te versterken. De belasting op uitgekeerde winsten (dividendbelasting) gaat terug van 36 naar 30 procent, wat vooral bedoeld is om buitenlands kapitaal aan te trekken (kosten voor de Duitse schatkist: 700 miljoen mark per jaar).

het hoogste tarief in de inkomstenbelasting wordt gesplitst. Voor (kleine) bedrijven komt een verlaging van dat tarief van 53 tot 44 procent en een vergroting van de belastingvrije sommen bij opvolging binnen familiebedrijven. Voor de hogere particuliere inkomens blijft het tarief van 53 procent bestaan, wat een politieke concessie is aan de SPD.

Waigel wil zijn plannen financieren door tegelijkertijd een serie fiscale aftrekmogelijkheden voor bedrijven te schrappen. Hij noemde zijn opzet in beginsel “budgettair neutraal”, al spreekt zijn ministerie niet tegen dat de operatie toch wel een kleine tien miljard mark per jaar aan opbrengst kan schelen. Voor de SPD was ook dat gisteren reden om te veronderstellen dat Waigel straks dus elders met nieuwe belastingverhogingen zal komen.

De minister onderstreepte gisteren, en woordvoerders van de coalitiefracties herhaalden dat, dat in 1993 er géén problemen zijn voor de financiering van de kosten van de Duitse eenwording. Maar een “ijzeren spaarkoers” tot 1996 is nodig, zei hij (maximaal 2,5 procent uitgavenstijging voor de nationale overheid, 3 procent voor de deelstaten en gemeenten).

Waigel, die van de oppositie de afgelopen jaren het verwijt van “belastingleugens” heeft gehad, wilde nu niet zeggen of hij na 1993 wel belastingverhogingen nodig heeft.