Olifant India ontwaakt uit economische slaap

India heeft zich ten langen leste tot de vrije markteconomie bekend. Buitenlandse investeerders, tuk op een markt met 850 miljoen consumenten, worden niet meer per definitie als uitbuiters gezien. Maar de oppositie tegen economische hervormingen bestaat nog.

De slapende olifant die ontwaakt, of de tijger die uit zijn kooi kruipt - aan tropische allegorieën bestaat geen gebrek als het gaat over de jongste economische ontwikkelingen in India. Aanleiding: als één van de laatste ontwikkelingslanden heeft deze op één na volkrijkste natie ter wereld zich dit jaar bekeerd tot de vrije markteconomie.

Het falen van de traditionele planeconomie, van Jawaharlal Nehroes ideaal van zelfvoorziening, en van het trage "hindoeïstische groeipad' - gekenmerkt door een aan handen en voeten gebonden particuliere sector en een verstikkende overheidsbureaucratie - was al jaren lang zonneklaar. Bovendien werd het Indiase fiasco nog pijnlijk geaccentueerd door de razende dynamiek van landen die wèl opteerden voor de vrije marktprincipes en aansluiting bij de wereldeconomie - eerst in Oost-Azië, zoals Zuid-Korea en Taiwan, nadien ook in Zuidoost-Azië, zie Thailand, Maleisië en Singapore.

Maar deze zomer liet de Indiase minister van transport Shri Jagdish Tytler tijdens het symposium "Investeren in India' in Den Haag eindelijk weten: “Wij hebben de lessen van het verleden geleerd. Wij stellen nu volledig vertrouwen in onze industrieën en industriëlen als volwassen leiders die ondernemingsgeest en creativiteit tonen, zodat de staat hèn de beslissingen laat nemen en zich terugtrekt.” Toen hij daaraan toevoegde: “Wij zijn begonnen met een proces van liberalisering waardoor de toegang tot de Indiase markt extreem vrij is geworden”, hing de merendeels met ondernemers gevulde zaal aan zijn lippen. Geen wonder, op de Indiase markt leven 850 miljoen potentiële consumenten en hun aantal groeit nog altijd snel.

Nu leek de Indiase olifant in het verleden vaker te ontwaken en werden eerste stappen gezet naar de markteconomie. Maar steeds weer hervatte het beest na verloop van tijd de slaap. Laatstelijk nog in 1985 toen wijlen Rajiv Gandhi enkele liberaliseringsmaatregelen aankondigde, maar stuk liep op het verzet van ondernemers en bureaucraten. Deze keer zullen de hervormingen wèl worden doorgezet, verzekerde transportminister Tytler in Den Haag. Zijn argumentatie was kort en krachtig: There is no other option.

Feit is dat het failliet van de centrale planeconomie, vooral na de desintegratie van de Sovjet-Unie als India's traditionele toeverlaat, niet meer valt te ontkennen. Daarbij komt de geopolitieke noodzaak voor India om zich meer op de VS te richten. En dan is er de "dreiging' van rivaal China, die zich ook steeds meer tot de markteconomie bekent en de laatste jaren groeicijfers produceert van tien procent.

Toch was vorig jaar een acute crisis nodig om het roer echt om te gooien. Terwijl India's economie kreunde onder religieuze twisten, werd premier Gandhi tijdens een verkiezingsbijeenkomst vermoord, viel de materiële hulp uit de Sovjet-Unie weg en brak ook nog eens de Golfcrisis uit. Die dwong zo'n kwart miljoen goedverdienende Indiërs in het Midden-Oosten tot een voortijdige thuisreis en leidde tot scherpe olieprijsverhogingen. Gevolg: India's deviezenreserves daalden tot een gevaarlijk laag niveau en in juni '91 kon het land tot schrik van de internationale financiële wereld slechts ternauwernood voldoen aan de betalingsverplichtingen over z'n 74 miljard dollar belopende buitenlandse schuld.

Dit bijna-bankroet viel vorig jaar vrijwel samen met de verkiezing van P. V. Narasimha Rao tot Rajiv Gandhi's opvolger als leider van de Congres-partij en nieuwe premier van India. Vuurwerk werd niet direct verwacht van de introverte Rao (71), die niet lang geleden ingrijpende hartchirurgie moest ondergaan. Hij werd eerder gezien als een soort tussenpaus, een bedaarde compromisfiguur, temidden van ambitieuze Congres-prominenten. Maar Rao verraste iedereen door de belangrijke economische ministersportefeuilles aan hervormers te gunnen. Hij zette Manmohan Singh, een tot liberaal bekeerde ex-gouverneur van de centrale bank, op Financiën en gaf hem de vrije hand bij het openen van één van 's werelds meest in zichzelf gekeerde en gereguleerde economieën. De jeugdige P. Chidambaran, afgestudeerd aan de Harvard Business School, kreeg als nieuwe minister van handel eenzelfde consigne mee.

“Wat heeft Zuid-Korea dat India niet heeft?”, riep Singh uit tijdens zijn maiden speech in het parlement. De achterliggende gedachte: als de Koreanen met permanente groeicijfers van negen procent per jaar in drie decennia hun reële inkomens konden verdertienvoudigen, moeten Indiërs dat ook kunnen. Met dit verschil dat er nu 45 miljoen Zuidkoreanen zijn en over drie decennia 1,25 miljard Indiërs, bijna eenzesde van de mensheid. Minister Singhs hervormingen - vorig jaar juli vervat in een mini-budget en op 29 februari van dit jaar in een volwassen begroting - zijn de eerste aanzetten naar zo'n ambitieuze toekomst.

Pag 16: Buitenlandse investeerder is geen uitbuiter meer; Vroeger was treiteren van buitenlandse bedrijven een gewaardeerd tijdverdrijf voor Indiase politici

De minister van financiën devalueerde de roepie met 53 procent om de export te stimuleren en zo meer deviezen te genereren. Ook maakte Singh de munt voor zestig procent convertibel (voor de resterende 40 procent stelt de staat de koers vast) en in New Delhi wordt er rekening mee gehouden dat de munteenheid binnen een jaar geheel inwisselbaar zal worden. Tegelijk is de inkomstenbelasting verlaagd van maximaal vijftig tot veertig procent.

Wat minder doortastend toonde de regering-Rao zich bij het opengooien van de buitenlandse handel. De maximale importheffingen gingen weliswaar omlaag - van 150 naar 110 procent en voor kapitaalgoederen van 80 naar 60 procent - maar ze blijven internationaal gezien zeer hoog. Wel verdwenen de kwantitatieve importcontroles waarmee vrijwel alles buiten het land kon worden gehouden, tenzij een (niet zelden omgekochte) bureaucraat het toeliet. Het oude regime blijft overigens gehandhaafd voor consumptiegoederen.

Verder ontmantelde Singh het verstikkende industriële vergunningenstelsel waarbij voor elke nieuwe investering of uitbreiding van bestaande investeringen vergunning nodig is. Dat kon tot acht jaar duren, aangenomen dat de beslissende bureaucraten het uiteindelijk goede ideeën vonden. Deze plaag van de license raj (het Hindi-woord voor regel) blijft voorlopig nog van kracht voor achttien branches, waaronder de auto-, suiker en medicamentenindustrie. Slechts acht bedrijfstakken, in plaats van dozijnen in het verleden, blijven exclusief gereserveerd voor staatsbedrijven. Tegelijk toont de regering zich in principe bereid om 49 procent van de aandelen van staatsbedrijven te verkopen.

Voorts worden buitenlandse investeerders niet langer beschouwd als sluwe uitbuiters. Zij mogen voortaan 51-procentsbelangen verwerven in 34 branches, van hotels tot elektronica, in plaats van maximaal 40 procent in het verleden. Buitenlandse firma's krijgen zowaar ook permissie om eigen merknamen te gebruiken, onroerend goed te kopen en filialen te openen. In het verleden was het treiteren van buitenlandse bedrijven een gewaardeerd tijdverdrijf voor Indiase politici. Neem PepsiCo, dat in 1986 een investeringsaanvraag tot New Delhi richtte en in de daarop volgende jaren werd geconfronteerd met twintig parlementaire debatten, vijftien speciale commissievergaderingen en een massa, overwegend negatieve publiciteit.

“Men placht in India te denken dat Moeder Regering alles beter weet”, verzekerde S. M. Datta, president van Hindustan Lever Ltd (Unilever) tijdens het recente Haagse symposium over investeren in India. “Dat is compleet veranderd.” Unilevers Indiase dochter, die vorig jaar met een omzet van 781 miljoen dollar de grootste buitenlandse onderneming in het land was, vergroot nu haar produktiecapaciteit van soepen en wasmiddelen en wil zich ook op de voedselverwerking storten.

De afgelopen twaalf maanden keurde de Foreign Investment Promotion Board in New Delhi investeringsaanvragen goed van multinationals als General Motors, Fujitsu, Suzuki, IBM, BMW, Siemens en Coca Cola. De meesten lagen er al jaren. Maar verreweg de grootste buitenlandse investering komt van Shell dat samen met een lokale partner nabij Bombay voor twee miljard dollar wil investeren in een etheenfabriek, een grondstof voor plastics. “Wij zijn verrast en bemoedigd door de hervormingen in India”, aldus een Shell-zegsman in Londen. “Vooral het overheidsbesluit om de roepie convertibeler te maken, vergemakkelijkt ons de import van kapitaalgoederen en de export van dividenden.”

De fascinatie van buitenlandse investeerders met betrekking tot India is begrijpelijk. Het land heeft na de Verenigde Staten en de voormalige Sovjet-Unie het grootste wetenschappelijke en technische arbeidsreservoir ter wereld. En anders dan het voormalige Sovjet-blok kende de Indiase economie altijd al een grote particuliere sector die - zij het gekneveld - functioneerde naast de staatssector. Maar het is vooral de gigantische Indiase markt die de lust tot winstmaken prikkelt.

De National Council of Applied Economic Research, een onafhankelijk onderzoeksinstituut in New Delhi, schatte medio vorig jaar het aantal rijke Indiërs met minimaal een "Oeso-levenstandaard' op 20 à 30 miljoen, terwijl 100 miljoen bewoners meer dan 1400 dollar per jaar verdienen. Daaronder komt een "lagere middenklasse' van zo'n 200 miljoen mensen met inkomens van 700 tot 1400 dollar per jaar. Het is voor een westerling moeilijk voorstelbaar dat deze massa veel meer kan kopen dan alleen voedsel. In werkelijkheid consumeert zij 75 procent van alle in India verkochte radio's en zeep, 60 procent van de wasmiddelen, en 40 procent van alle soft drinks, shampoo en kleuren-TV's.

Hoewel het Amerikaanse tijdschrift Fortune de hervormingsgezinde premier Rao en zijn rechterhand minister Singh onlangs definitief ereplaatsen toedichtte in de Indiase geschiedenis, vrezen nogal wat waarnemers ter plekke dat het "momentum' van de hervormingen zal verwateren. Vooral een reusachtige beursfraude in Bombay, waarbij aandelenhandelaren samenspanden met bankiers en ambtenaren om op illegale wijze met vele honderden miljoenen dollars te speculeren, zaaide twijfel. Het schandaal kostte de reformistische minister van handel Chidambaran zelfs de kop. Tegenstanders van de liberalisering wijzen er op dat de megafraude uitgerekend plaatshad in één van de meest gedereguleerde sectoren van de economie. En is bij verdergaande vrijmaking van de economie niet meer van dezelfde narigheid te verwachten?

Daar komt bij dat de meeste hervormingsmaatregelen tot dusverre vrij gemakkelijk konden worden genomen omdat zij geen grote bedreiging vormden voor invloedrijke belangengroepen die hechten aan de status quo, zoals vakbonden, boerenorganisaties en bureaucratie. Zo deinst de regering-Rao vooralsnog terug voor de hervorming van de arbeidsmarkt. Ondernemers zijn nu weliswaar vrij om te investeren, maar voor het aantrekken of afstoten van werknemers hebben ze onveranderlijk vergunning nodig. Een bedrijf moet zelfs vergunning vragen om failliet te mogen gaan, al verdringen in de praktijk de voldongen feiten dit soort regelgeving. Maar een baan in de omvangrijke staatssector, waar zo'n negentien miljoen Indiërs werken, betekent nog steeds een baan voor het leven. Premier Rao en zijn collega's durven dat voorrecht niet aan te tasten. Zelfs niet nu massa's ambtenaren juist als gevolg van hun liberaliseringsmaatregelen met de duimen zitten te draaien en één ministerie zelfs integraal is opgedoekt.

Intussen blijven overbemande staatsbedrijven de rest van de economie belasten met de gevolgen van hun ondoelmatigheid: hoge prijzen, slechte produkten en armzalige dienstverlening. Neem het elektriciteitsbedrijf van Uttar Pradesh waar 600.000 mensen werken en bijna eenvijfde van de opgewekte energie verloren gaat. Of het financiële systeem met zijn genationaliseerde banken die op geen stukken na bij machte zijn om een moderne economie de noodzakelijke diensten te verlenen. Het is moeilijk te zeggen wie de banken het meest plunderen, de vakbonden of de overheid. De militante bonden hebben het aantal bankemployé's opgedreven tot een miljoen en ze verdienen gemiddeld viermaal modaal. Ook verzetten zij zich fel tegen produktiviteitsverhoging. Al stemden de bonden uiteindelijk wel in met de computerisering van banken, mits dat beperkt zou blijven tot één vestiging per bankbedrijf.

De overheid melkt op haar beurt de banken uit door hen te verplichten 30 procent van hun deposito's (was 38 procent) in matig tot slecht renderende staatsobligaties te steken. Ook moeten de banken van New Delhi de helft van hun kredietverlening richten op "favoriete debiteuren', zoals de uitstekend georganiseerde grotere boeren die handelsgewassen verbouwen en naar wier mening vele politici luisteren. Dezelfde agrariërs zijn ook de voornaamste profiteurs van de exorbitante "kunstmestsubsidies' die door de regering Rao intussen met veel moeite en pijn zijn teruggeschroefd met dertig procent. Tegelijk plaagt de overheid de veelal kleinere voedselverbouwers door de voedselprijzen laag te houden ten gerieve van de stedelijke middenklassen.

Gebrek aan doortastend beleid speelt de regering ook parten op het terrein van de overheidsfinanciën. Het begrotingstekort is wel teruggebracht van 9 procent van het bruto nationaal produkt in 1991 tot 5 procent in het lopende jaar. Maar nadere beschouwing leert dat vooral is bezuinigd op strategische kapitaalinvesteringen voor toekomstige vooruitgang en veel minder op lopende uitgaven.

Liberale critici van de regering-Rao hameren erop dat zij nu moet doorbijten omdat het liberaliseringsproces anders zal doodbloeden en de Indiase olifant voor de zoveelste keer de slaap zal hervatten. Premier Rao stelt daar tegenover dat India's fragiele sociale structuur geen zware shock-behandeling verdraagt, dat democratie nu eenmaal een redelijke consensus vereist, en dat de natie derhalve "een aanpassing met een menselijk gezicht' behoeft. Vast staat dat de Indiase regering enige moed kan putten uit recent economisch nieuws. Na bijna een jaar van stagnatie steeg de export in juni met 9 procent en de industriële produktie met 4,1 procent. De inflatie, die de laatste twee jaar in de dubbele cijfers liep, nam af tot 9,1 procent, terwijl de deviezenreserves, die een jaar geleden vrijwel waren verdwenen, nu op 6,7 miljard dollar zitten. En wat voor de economie en met name de voedselvoorziening van 850 miljoen Indiërs zo belangrijk is: de moesson, die dit jaar alarmerend zwak begon, bracht uiteindelijk ruim voldoende regen.