Leerlingen kunnen goed spellen maar geen sollicitatiebrief schrijven

ROTTERDAM, 9 SEPT. De gemiddelde derdeklasser in het voortgezet onderwijs maakt per honderd zinnen slechts vier schrijffouten, maar niet meer dan één op de tien kan een goede sollicitatiebrief schrijven. Terwijl leerlingen moeiteloos de werkwoorden spellen, komen ze in de problemen wanneer ze een boodschap moeten overbrengen.

Dat schrijft de "taakgroep' die in opdracht van de Nederlandse Taalunie de toestand van het onderwijs van het Nederlands in Nederland en Vlaanderen in kaart heeft gebracht. Volgens het rapport "Van onbegrensd belang' is het onderwijs van het Nederlands op de basisschool en in het voortgezet onderwijs “niet slecht”, maar leraren zouden meer aandacht moeten besteden aan de communicatieve kant van dit onderwijs.

De "taakgroep' concludeert verder dat er weinig verschil is tussen het onderwijs van het Nederlands in Nederland en Vlaanderen. Wel ontbreekt het Vlaanderen aan een goede universitaire lerarenopleiding.

De "taakgroep' baseert zich in het rapport op onderzoek dat de afgelopen vijf jaar is verricht naar lezen, schrijven, luisteren en spreken aan het einde van de basisschool en in de derde klas van het voortgezet onderwijs, naar schoolboeken en naar de aanpak van het onderwijs. Deze onderzoeksgegevens zijn voor het eerst samengebracht en voorzien van aanbevelingen aan de Nederlandse en de Vlaamse regering.

Volgens de "taakgroep' versterken de negatieve aspecten van het taalonderwijs elkaar. Voor het schrijven van sollicitatiebrieven bijvoorbeeld geldt dat ongeveer een kwart van de leerlingen dit omstreeks hun vijftiende jaar niet goed doet. Toch wordt er weinig tijd aan besteed: schrijfonderwijs vergt in verband met het nakijkwerk veel tijd van de toch al druk bezette leraar Nederlands. In schoolboeken komen schrijfstrategieën er bekaaid af en het eindexamen vraagt er met zijn vrije stelopdrachten evenmin om. Verder is in het voortgezet onderwijs het aantal uren Nederlands in de loop der jaren teruggelopen tot drie à vier lesuren per week.

Onderzoekers van het Cito die in het rapport worden geciteerd, menen dat op de basisschool teveel aandacht wordt besteed aan zaken als spellen, technisch lezen en ontleden en te weinig aan het eigenlijke schrijven. Dat geldt ook voor het voortgezet onderwijs.

De "taakgroep' van de Nederlandse Taalunie meent daarom dat meer tijd moet worden vrijgemaakt voor het schrijven van "informatieve' en "argumentatieve' teksten en voor het interpreteren en overbrengen hiervan. Vijf van de twaalf aanbevelingen gaan in die richting.

Volgens de "taakgroep' is “het systematisch denken over het literatuuronderwijs nog onderontwikkeld”. Het is de meeste leraren en vakdidactici onduidelijk of het bij literatuuronderwijs gaat om het verwerven van kennis, van inzicht, van interpretatievaardigheden of van dit alles tegelijk. Er zou daarom “een Nederlands-Vlaamse discussie tot stand moeten komen over de doelstellingen van literatuuronderwijs”.