Fiscale mythologie

De achterkant van het belasting- en premiebiljet. Uitgeverij Gouda Quint, prijs 45 gulden

Tot de weinige zekerheden in het leven behoren de dood en de belastingen. Dit oeroude en vaak geciteerde gezegde kan men voor Nederland aanvullen met enkele zekerheden over onze belastingen zelf. Wij zuchten onder een belastingdruk die zijn weerga in de beschaafde wereld niet kent. De nivellerende werking van de onbarmhartig progressieve tarieven dwingen bijna tot een overhaaste emigratie. Ieder die meer dan een ton verdient, werkt in hoofdzaak voor de fiscus. Dat is nodig om een peperdure ambtenarij in stand te houden.

Zo, daar staan wat gemeenschappelijke frustraties op papier. Maar pas op, elke voorgaande constatering - de openingszin uitgezonderd - is onjuist!

Deze week verschijnt een boek waarin de fiscale mythologie onbarmhartig wordt doorgeprikt. Wat blijkt? De belastingdruk in Nederland ligt onder het gemiddelde van de EG-landen, ook al is ons toptarief voor de inkomstenbelasting (60 procent) bedrieglijk hoog. Vier van de vijf belastingbetalers is minder dan 15 procent van het inkomen kwijt aan loon- en inkomstenbelasting. Het beeld wordt anders met de premieheffing volksverzekeringen erbij. Het gaat dan om de algemene ouderdoms-, invaliditeits- en ziektekostenvoorzieningen (AOW, AAW en AWBZ). Die brengen de druk op ongeveer 25 procent. Dat percentage geldt ongeacht de loonhoogte; van progressie is onder een loonniveau van 100.000 geen sprake. Dat de zwaarste schouders extra zware lasten dragen, is dan ook een mythe. Over een salaris van een ton betaalt men effectief slechts 25 procent belasting. De koopkrachtplaatjes die in politiek Den Haag tot twee cijfers achter de komma het beleid bepalen, geven bij dit inkomen het vertekende beeld van een belastingdruk van 30 procent. Om het laatste misverstand nog weg te menen: ons ambtenarenapparaat behoort tot de goedkoopste van de Westerse wereld.

Het ontnuchterende boek is geschreven door iemand die geen belang lijkt te hebben bij de ontmythologisering: het PvdA-Kamerlid Willem Vermeend. Of nee, de titelpagina vermeldt de hoogleraar dr. W.A. Vermeend; deeltijdprofessor in Maastricht en Groningen. Vermeend gedraagt zich onafhankelijk. Begin dit jaar streek hij zijn collega-fiscalisten tegen de haren in met het verwijt dat zij het zicht op de fiscale werkelijkheid hebben verloren omdat ze alleen aandacht hebben voor uitzonderlijke fiscale probleemgevallen.

In zijn boek bestrijdt Vermeend met hetzelfde gemak het beleid van zijn partijgenoten in het kabinet. Hij wijst bij voorbeeld op de aanwending van twee miljard gulden voor de komende BTW-verlaging met één procentpunt en rekent minister Kok (financiën) dan voor dat met het beschikbare geld de werkgelegenheidsproblematiek van laagbetaalden effectiever kan worden aangepakt. Net als Flip de Kam gisteren op deze plaats deed, veegt hij de vloer aan met de wijze waarop partijgenoot staatssecretaris Simons (volksgezondheid) zijn stelselherziening wil financieren.

De bezwaren van Vermeend zijn niet ideologisch, maar fiscaal-technisch. Zijn pragmatische boek illustreert dat in de fiscale sfeer nauwelijks beleidsruimte is voor partijpolitieke idealen. De ontwikkeling van de belastingwetgeving wordt gedicteerd door internationale ontwikkelingen, niet door partijprogramma's. Natuurlijk liggen wel uitgangspunten ten grondslag aan de fiscale wetgeving. Vermeend formuleert die als volgt: "Nederland moet in de Europese context (fiscaal) aantrekkelijk blijven, zowel voor ondernemers als werknemers, ongeacht hun inkomen."

Doe een blinddoek om en zeg eerlijk: getuigt dit van een socialistische, een christendemocratische of een liberale visie? Het boek van Vermeend is de nuchtere tegenpool van de kort na de oorlog geschreven "Socialistische Belastingpolitiek' van PvdA-ideoloog Hofstra. Het rekent voorts af met de idealen van Den Uyl om met het belastinginstrument de maatschappij te hervormen. Als middel om een rechtvaardige inkomensverdeling te bereiken heeft Vermeend de belastingwetgeving afgeschreven. Hij ziet de rol van de overheid bij de inkomens(her)verdeling vooral nog in de sfeer van de sociale zekerheid. Dat stelsel wil Vermeend behouden met behulp van zijn "Belasting- en premiebeleid voor de jaren negentig'.

Hiermee vervangt hij eigenlijk het deze zomer door de Sociaal Economische Raad van tafel geveegde fiscale hervormingsvoorstel van de Commissie-Stevens. De politiek had deze commissie aan feitelijk onwerkbare randvoorwaarden gebonden: budgettaire en inkomenspolitieke neutraliteit. Dit soort beperkingen legt Vermeend zichzelf wijselijk niet op. De berekeningen die Stevens moest maken om aan de neutraliteitseis te voldoen, ontbreken bij Vermeend. Hij schildert de zegeningen van zijn plan niet alleen in financiële termen, maar ook in de vorm van werkgelegenheid, concurrentiepositie en algemene welvaart. Voor het maken van politieke afwegingen is dat voldoende. Zolang evenwel de politiek aan adviescommissies veel strengere eisen blijft stellen, zullen die commissies steeds voor de bureaulade werken. Het belastingplan Vermeend markeert niet alleen het einde van een politiek geïnspireerd fiscaal beleid maar ook dat van de grote fiscale hervormingscommissies.