De Rapalloschrik

Een jaar of twee geleden draaide het Europese debat voorzover geïnspireerd door het einde van de Koude Oorlog om de vraag of we bang moesten zijn voor een "nieuw Rapallo'. Het schrikbeeld, rijkelijk theoretisch, was dat de geschiedenis zich ongeveer zou herhalen door een nieuwe toenadering tussen Duitsland en de Sovjet-Unie. Bij de vorige gelegenheid was daar al minder van terechtgekomen dan de schrik beloofd had. In 1922 hadden de Duitsers zich door het Verdrag van Rapallo aan hun oostgrens bevrijd van de druk die hun door Versailles was opgelegd.

Duitsland erkende de Sovjet-Unie en Moskou zag af van de Duitse verplichting tot herstelbetalingen zoals die in het vredesverdrag was geformuleerd. Bovendien werd Duitsland door Moskou tot meest begunstigde natie verklaard waardoor de Duitsers de kans kregen tot economische expansie. Het schrikbeeld van het Westen, de Entente, was dat de oude Duitse vijand zich zou verenigen met het nieuwe Rode Gevaar tot een op den duur reusachtige continentale macht. In werkelijkheid waren de partners van Rapallo beide in een diepe politieke en economische crisis verstrikt. Lenin werd ziek, de strijd om zijn opvolging was begonnen, en Walther Rathenau werd vermoord.

Het heeft toen nog tien jaar geduurd voor de Weimar Republiek het opgaf en dat had in 1922 niemand voorzien. De schrik van het "nieuwe Rapallo' was dat de ineenstortende Sovjet-Unie voor het de economische wereldmacht van het nieuwe, verenigde Duitsland ter kolonisatie open zou liggen. Het voormalige Sovjet-rijk was met zijn goedkope, geschoolde arbeidskrachten en "onuitputtelijke hulpbronnen' het beloofde land voor economische kolonisatoren. Onherroepelijk zou West-Europa op den duur door deze continentale reus worden overheersd omdat de Verenigde Staten, een wereldmacht in onstuitbaar verval, niet het moreel noch de middelen zouden hebben om de Europeanen voor de derde keer te redden.

Dit vooruitzicht is verdwenen. Het Westen heeft de voormalige Sovjet-Unie herontdekt, niet als de onmetelijke ruimte waar het goed koloniseren is, maar als de grootste puinhoop uit de geschiedenis waarin alleen de moedigsten willen investeren mits door lokmiddelen aangemoedigd. De Duitsers hebben er hun aanloop tot een goldrush ondernomen, maar voorzover ze niet zijn afgeschrikt door de gevaren van de chaos zijn ze blijven steken in het voorterrein, hun eigen ex-DDR die aan herstel zelfs meer vraagt dan een realistisch pessimist als Helmut Schmidt een jaar of drie geleden nog voorspelde (tot bijna ieders ongeloof).

Natuurlijk, er wordt wel het één en ander gedaan in sommige nu zelfstandige republieken van de voormalige Sovjet- Unie, maar wat er aan opbouwends gebeurt, wordt nog ruim overtroffen door de voortgezette afbraak in burgeroorlogen en aanstaande burgeroorlogen. In tegenstelling tot zeventig jaar geleden is er nu geen macht, vergelijkbaar met de communistische partij, om er weer de samenhang van een organisatie aan te geven. "Rapallo' (16 april 1922) is dan ook niet herdacht; geen public relations agent heeft er iets in gezien.

De schrik van Rapallo is dat er door het samengaan van Russen en Duitsers een continentale macht zal ontstaan die de Atlantische zal overheersen. Dat is een grote schrik. De toestand van Europa nu wordt niet bepaald door één grote maar veel kleine schrikken. Daartoe horen de Joegoslavische burgeroorlog, verscheidene burgeroorlogen in de vroegere Sovjet-Unie, de "aanpassingsrellen' in de nieuwe Duitse Länder, de lange crisis in Bonn waaruit blijkt dat men er zich geen raad mee weet, en ook de verwerping door de Denen van Maastricht, de tweestrijd daarover in Frankrijk en de sombere speculaties over wat er zal gebeuren als de Fransen het verdrag verwerpen.

Het blijkt in Europa nu niet zo te zijn dat veel kleine schrikken één grote maken. Na het einde van de Koude Oorlog is het overzichtelijk panorama in het genot waarvan we een halve eeuw zijn geweest (want ook tussen 1939 en 1945 was aan overzichtelijkheid geen gebrek) binnen twee jaar aan stukken gebroken. Het dagelijks leven van de politiek laat zien dat men zich deze fragmentarisatie kan veroorloven - of denkt te kunnen veroorloven. Alles wat dreigt, kan worden gereduceerd tot een plaatselijk probleem, ook de Joegoslavische crisis, zoals impliciet uit de laatste zin van het hoofdartikel in deze krant van gisteren blijkt: “De internationale gemeenschap heeft geen antwoord op deze crisis”. Na het aangeklede echec van de Londense conferentie valt dat dit tegen te spreken.

Is het niet zo dat wat hier de internationale gemeenschap wordt genoemd - dat wil zeggen een aantal landen met een aantal opvattingen over wat hoort en niet hoort en wat mag en niet mag in de politiek (zoals bijvoorbeeld in de preambule tot het Noordatlantisch verdrag is geformuleerd) - op het ogenblik de facto niet meer bestaat? Zou de "internationale gemeenschap' niet een eufemisme zijn voor onze eigen fragmentarisering die door het va-et-vient der conferenties en het daaruit opstijgend geroezemoes aan oog en oor wordt onttrokken? Zouden we dat misschien niet eens merken omdat we er immers hier in het Westen, behalve als we even naar de televisie kijken, niet eens last van hebben?

Omstreeks 1990 was "een nieuw Rapallo' nog de samenvatting van een onheilsvoorspelling. Een vergissing. De toekomst van toen waaraan we inmiddels bezig zijn, blijkt veel dragelijker en maakt ook de indruk consistenter te zijn dan die van 1990. Ook een vergissing. De ernstigste vergissingen zijn die waarop je je niet voorbereid houdt.