"De Nederlandse journalist is te weinig alert'

“Het vreselijkste van Nederland vind ik de politiek”, zegt Mark Fuller, stringer voor onder meer het Britse dagblad The Times. “Dat slaapverwekkende gepraat op de vierkante millimeter! Nederlandse politici zijn grijze mannen die zelden echt iets voor elkaar krijgen. Dat komt door het coalitiesysteem, maar ook omdat er geen aansprekende figuren op het podium verschijnen. Voor de burger is dat Nederlandse evenwicht een zegen, maar voor een verslaggever is het ongelofelijk saai. Bolkestein, dat moet je hem nageven, is de enige uitzondering. Ik ben het niet met hem eens, maar hij toont tenminste persoonlijkheid.”

Het verhaal van de Engelsman Mark Fuller (36) onderscheidt zich van dat van zijn collega-correspondenten in Nederland, omdat hij pas geruime tijd na zijn komst journalist werd. Na een letterenstudie kwam hij in 1981 op uitnodiging van een vriend naar Nederland en besloot zich na een kort verblijf in Amsterdam te vestigen. “De stad stond mij zeer aan. Ik was een liefhebber van hasj, daar bleken er hier meer van te zijn.” Hij vond een baan als schoonmaker, na een jaar werd hij ontslagen. “Toen bleek ik recht op een uitkering te hebben. Dat was voor het eerst dat ik met die wonderlijke Nederlandse verzorgingsstaat in aanraking kwam.”

Zijn eerste indrukken van Amsterdam betroffen de vormgeving van de stad: “Mij trof de geringe hoogte van de bebouwing; geen wolkenkrabbers, maar mensen die vier of vijf hoog wonen. Ook de trams waren verrassend. Ik had er nog nooit van mijn leven een gezien. Ik had echt het gevoel op het continent te zijn beland. Nederland is klein, maar dat gevoel heb je hier niet. Terwijl Engeland, ondanks zijn omvang, een dorpse atmosfeer ademt. Ik genoot van de café's en de coffeeshops. Ik hoefde niet meer steeds op de klok te kijken of ze al gingen sluiten, er was alle tijd om te drinken. Het heeft mij meer dan twee jaar gekost, voordat ik begreep dat ik in het café mijn schouders kon laten zakken en relaxed kon zijn. De variëteit in cafés vind ik onzettend leuk. En ze zijn klein, over het algemeen. De onderlinge verhoudingen zijn intiem.”

Samen met zijn Engelse echtgenote, die hij in zo'n Amsterdams café leerde kennen, zette hij (“Met behoud van uitkering”) het Engelstalige blad The Paper op, bedoeld om in Nederland verblijvende buitenlanders wegwijs te maken. “Wat begon als een radicale underground-krant groeide uit tot een soort Time Out-magazine voor de niet-Nederlands-sprekende gemeenschap. We informeerden over de kraakbeweging, maar noemden ook adressen van winkels. Al die tijd kregen we subsidie van het Arbeidsbureau. We haalden er op den duur zelf een bescheiden salaris uit, en verschaften ook nog een aantal mensen werk.”

Het blad bleek uiteindelijk toch geen lang leven beschoren. Fuller begon een freelance-praktijk en leverde in 1986 zijn eerste bijdrage aan het eerbiedwaardige dagblad The Times. “Die werd meteen geplaatst. Ik dacht: ik ben er. Maar mijn volgende tien verhalen zijn er nooit in gekomen. Ik heb een jaar lang vreselijk mijn best gedaan en toen werd ik stringer, met een vast bedrag per maand. Bij The Times verschijnt je naam niet boven een stuk voordat je bewezen hebt dat je een lang verhaal kunt schrijven. Toen dat gebeurde was dat een grote voldoening.” Nu is hij naast zijn part-time-baan bij The Times medewerker van de Holland Herald, Adformatie en de Engelstalige sectie van het Financieel Dagblad.

Fuller denkt met nostalgie terug aan zijn eerste Amsterdamse jaren. “Ik mis het ludieke dat de krakers met zich meebrachten. Ik las publikaties van Onkruit, en Bluf en de Raddraaier. Toen Kerwin Duinmeijer werd neergestoken, klonk alleen uit die hoek protest. Het alternatieve circuit was toen levendiger. Er was theater op straat, de stad had meer kleur. De gevolgen van de gentryfication vind ik niet zo best. Dat casino, bij voorbeeld, dat is zó lelijk. Dat hóeft helemaal niet in Amsterdam. En die IJ-oevers, dat wordt echt een ramp.”

Hij schreef een stuk over de verzakelijking van Amsterdam op de opiniepagina van The Times. “Van Thijn had in een interview gezegd: Amsterdam is geen museum. Hij stelde dat de kern van Amsterdam was ontstaan door de commerciële kracht van de stad. Daarom moet je die niet teveel beschermen. Daar stelde ik tegenover dat Amsterdam iets speciaals heeft ten opzichte van andere Europese steden, dat je niet door allerlei grote projecten moet laten verdwijnen. Je moet voorzichtig omgaan met die stad. Vroeger was er meer variatie. Tien jaar geleden zag je meer oorspronkelijke Amsterdammers in het centrum. Een groep van welgestelden maakt nu de dienst uit, de arme mensen zijn eruit getrokken.”

Van de kant van zijn werkgever signaleert Fuller een toenemende vraag naar stukken over onderwerpen die zich in de marge van de Nederlandse samenleving afspelen. “Prostitutie en drugs blijken altijd goed te vallen. Maar ook dat Cargo-project, van die mensen die een hoogspanningsmast met broden in zee wilden gooien, kan op veel belangstelling rekenen, of een vakbond voor apen. In Nederland zijn veel van dat soort pret-onderwerpen. Sinds The European op de markt is, moeten wij meer van dat soort verhalen maken, voor de Europese editie, The European Times. Ik kan dat goed beoordelen want mijn vrouw is correspondent van The European.”

Tevreden is de correspondent over de hulp die hij bij zijn werk van alle mogelijke instanties ondervindt. “In Nederland wordt een journalist met alle faciliteiten geholpen. Jammer vind ik daarentegen, dat de Nederlandse journalist zo weinig ondernemend en alert is. Ze zijn vaak te afwachtend en pakken alleen aan wat zich aandient. De Engelse journalistiek is harder, doortastender.”

Evenals zijn collega-correspondenten produceerde Fuller een reeks verhalen over het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen. “Ik vond het schrikbarend dat op de honderd werkenden meer dan tachtig mensen een uitkering hebben. Ik schreef over de mentaliteit waarmee mensen soms de WAO in gaan: als je een tijdje geen zin hebt om te werken of een beetje gestressed bent. Ik heb iemand aan het woord gelaten, die twaalf jaar geleden lasser was en toen een uitkering "nam' om bluesgitaar te leren spelen. Ik vroeg hem of hij dan geen verantwoordelijkheidsgevoel had. Als ik nu zou voorstellen de parlementaire enquête over de sociale verzekering te behandelen, dan krijg ik als antwoord: "Thank you Mark, but I think we've had enough about the Dutch Welfare System'.”

Nederlanders hebben in Engeland de naam tolerant te zijn, maar Mark Fuller vindt dat niet helemaal terecht. “Als je iets verder kijkt is de Nederlander net zo gesloten als de Brit, want beiden willen hun identiteit beschermen. Mijn vrouw is Engels, maar van Indiase komaf. Toen wij ons samen aanmeldden bij het Arbeidsbureau, allebei in dezelfde situatie, werd ik beschouwd als een Engelsman en zij werd doorverwezen naar het immigratiebureau. Ze merkt ook een andere behandeling in winkels, uitsluitend als gevolg van haar huidskleur.”

De correspondent constateert een zekere hypocrisie in de Nederlandse tolerantie. “Er bestaat hier ook de houding van: ieder voor zich. Je merkt het in het verkeer, of bij het parkeren van je auto. In Londen zijn de mensen veel wellevender. De eerste keer dat ik in De Bijenkorf kwam, hield ik de deur open voor een oude mevrouw. Er waren wel tien mensen die er eerst door wilden; die arme mevrouw werd bijna plat gedrukt. Is dit dan wel zo'n beschaafde natie?

“De zelfdiscipline in Nederland is in de afgelopen tien jaar minder geworden. Wie nu het hardst schreeuwt of slaat, heeft het voor het zeggen. De agressie is toegenomen, in het café, in de tram of op de fiets. Er wordt tegen je geschreeuwd, een vuist gebald en steeds vaker een wapen getrokken. Ik heb gezien dat een automobilist iemand met een honkbalknuppel te lijf ging. Laatst voelde ik me voor het eerst onveilig, om tien uur 's avonds op de tramhalte. Daar was een ruzie, er kwam een junk aan. Ik dacht: ik moet hier weg. Vroeger waren alleen taxichauffeurs agressief, tegenwoordig is iedereen agressief.”

Fuller gelooft niet dat die agressie de keerzijde is van de door hem zo geprezen Nederlandse permissive society. “Er zijn nu eenmaal mensen die zichzelf nooit corrigeren. Dan moet je ze dus een handje helpen. Ik ben geen voorstander van een politiestaat, begrijp me goed, maar als mensen in de tram bedreigd worden, dan moet je daar tegen optreden. Mensen zetten hun stereoinstallatie zo hard aan, dat de buren er niet van kunnen slapen. Als die daar iets van zeggen, krijgen ze te horen: Als je niet ophoepelt krijg je een klap. Daar zou iets aan moeten gebeuren. Zo kan een samenleving toch niet functioneren?”

Het "gebrek aan spontaniteit' was een van de eerste dingen die Fuller van het nationale karakter opviel. “Ik kom uit een land waar mensen bij elkaar op bezoek gaan en als het niet uitkomt dan zeg je dat. Hier gebeurt alles op afspraak. Alles is overgeorganiseerd. Nederlanders geven zich niet graag bloot. Ze zijn terughoudend. Ik heb de Engelse stijl, push graag en kom voor mijn mening uit. Hier heb ik de neiging om mensen op de schouder te slaan en te zeggen: "Kom op, man!'

“Een voordeel van de Nederlander is, dat hij doorgaans goed is geïnformeerd over gebeurtenissen in andere landen. Ik hoor hier soms mensen over een klein land spreken dat ik niet eens kèn. Misschien kijkt de Nederlander zo goed om zich heen, omdat er in zijn eigen land zo weinig gebeurt. Als je met Nederlanders rond de tafel zit, dan ontstaat er meestal geen flauwekulgesprek, maar een behoorlijke discussie.

“In plaats van trots te zijn op hun goed-geoliede samenleving, schrikt men hier als Nederland in the picture komt. Het lijkt wel of de Nederlanders zich voor hun eigen land schamen. Ze hebben een beetje een minderwaardigheidscomplex. Tegelijkertijd vinden ze Nederland wel het beste van de kleine landen. Dat is een nogal ingewikkeld imago.”