Boedapest ziet optreden Serviërs met lede ogen aan

In Hongarije maakt men zich zorgen over het lot van de Hongaarse minderheden in Roemenië en het nieuwe Slowakije. Wellicht nog meer bezorgdheid bestaat over de Hongaarse minderheid in het nieuwe Joegoslavië. Een sluipende "etnische schoonmaak', intimidatie en de inzet van etnische Hongaren voor de strijd in Kroatië en Bosnië hebben tienduizenden Hongaren uit de provincie Vojvodina ertoe gebracht, de grens met Hongarije over te vluchten. Boedapest voelt zich machteloos: diplomatieke druk blijkt niet te helpen en andere middelen hebben de Hongaren niet.

BOEDAPEST, 9 SEPT. Het lot van de Hongaarse minderheid in de Servische provincie Vojvodina baart de regering in Boedapest grote zorgen. Dagelijks stromen er berichten binnen op het ministerie van buitenlandse zaken over intimidatie van niet-Servische bevolkingsgroepen. Behalve de Kroaten die in Vojvodina wonen is daar vooral de Hongaarse minderheid, met bijna een half miljoen leden de grootste, het slachtoffer van. De “etnische zuivering” heeft naar schatting al tienduizenden mensen verdreven uit hun woonplaatsen.

Niet bekend

“De Hongaarse, maar ook de Kroatische minderheid in Vojvodina staat onder grote druk, enerzijds als gevolg van de stroom van ongeveer 80.000 Servische vluchtelingen uit Bosnië, maar ook door het optreden van de autoriteiten”, zo legt de ambtenaar uit. “Nadat Milosevic in 1988 de autonomie van de provincie had afgepakt en Vojvodina een deel van Servië was geworden konden de Hongaren gedwongen worden om deel te nemen aan de oorlog die Servië voert in Bosnië-Herzegovina. De Hongaren voelen daar natuurlijk niets voor: het is hún oorlog niet. Ze zijn ondergedoken en gevlucht en de plaatselijke overheden geven de dan vrijgekomen woonruimte en arbeidsplaatsen onmiddellijk aan de Servische vluchtelingen uit Bosnië. Op die manier wordt de etnische verhouding kunstmatig gewijzigd en daar zijn we fel tegen.”

Hongarije kan weinig meer doen dan vurig hopen dat de oorlog zo snel mogelijk ten einde komt, maar erg gerust is men daar op het ministerie van buitenlandse zaken niet op. “Wij zijn zelf voortdurend in contact met Belgrado over de dreigementen en pesterijen die de Hongaren in Vojvodina te verduren hebben”, zegt de hoge ambtenaar, die heeft gevraagd om anonimiteit, “maar de Servische regering laat zich daar niets aan gelegen liggen.”

De vraag of de toestand in Vojvodina zodanig zal kunnen escaleren dat Hongarije zich gedwongen zou voelen om met andere dan diplomatieke middelen de belangen van de Hongaarse minderheid te beschermen wordt pertinent ontkennend beantwoord. “Hongarije zal niet militair interveniëren. In het geval van escalatie van de onderdrukking, waar we inderdaad bang voor zijn, zullen we andere oplossingen moeten zoeken, bijvoorbeeld via de EG, of direct via de vredesconferentie in Genève.”

Veel Hongaren betwijfelen echter of van die kant veel heil is te verwachten. Ze hoeven daarvoor alleen maar te wijzen op de interne verdeeldheid en daaruit resulterende besluiteloosheid die het optreden van de EG in de kwestie-Joegoslavië het afgelopen jaar heeft geteisterd. György Bolgar, een vooraanstaand radiojournalist die in Hongarije ook door zijn literaire werk bekendheid geniet, schildert een doemscenario dat herinnert aan de gebeurtenissen tijdens het interbellum. Bolgar, die kortgeleden in Europa is teruggekeerd van een vierjarig correspondentschap in New York: “Wanneer die half miljoen Hongaren in Vojvodina met geweld dreigen te worden verdreven en willen uitwijken naar Hongarije, dan zou de Hongaarse regering zich, ook onder binnenlandse druk, wel eens gedwongen kunnen zien eerst tot het geven van strenge waarschuwingen aan Belgrado en als dat niet helpt tot dreiging met interventie. Via een provocatie aan de grens zou Servië de kwestie kunnen internationaliseren en roepen dat Servië het slachtoffer is van buitenlandse agressie. Dat Servië helemaal geen politiek van een Groot-Servië nastreeft, maar integendeel dat Hongarije probeert het na de Eerste wereldoorlog verloren grondgebied terug te krijgen.”

“Servië zou, wanneer het zo'n bewering doet, direct steun krijgen van Roemenië, van Slowakije en van Frankrijk. Van de eerste twee omdat die ook Hongaarse minderheden hebben en van Frankrijk omdat het de Hongaren toch ziet als aanhangsel van de Duitse invloedssfeer in Midden-Europa. Voilà, de Kleine Entente kan weer gaan werken. Dat zou spanning opwekken tussen Frankrijk en Duitsland, waardoor de Europese Gemeenschap verlamd zou raken. De Russen zouden zich er misschien mee gaan bemoeien, om nog maar te zwijgen van de Oekraïne, waar ook een minderheid van bijna 200.000 Hongaren zit. En uiteindelijk zullen het de Amerikanen zijn die de zaak moeten oplossen, want dat is de enige mogendheid die geen historische of emotionele bindingen heeft met de Balkan. Maar dan zijn we al weer veel verder.”

Niet alle Hongaren zien de toekomst zo somber tegemoet. Imre Szokai bijvoorbeeld, tot begin dit jaar staatssecretaris op het ministerie van buitenlandse zaken, maar wegens een verschil van mening met zijn minister ontslagen en nu werkzaam als particulier consultant van Westerse bedrijven, denkt niet dat de vooroorlogse geschiedenis nog zo'n invloed zal hebben op de huidige politiek. “Natuurlijk, de geschiedenis heeft altijd invloed, Historia magister vitae. Maar het zou een grote fout zijn je politiek daardoor te laten bepalen. Hongarije heeft op het ogenblik maar één prioriteit, het economisch overleven, en het zal zich daarvan niet laten afbrengen. Het conflict in Joegoslavië zal zich waarschijnlijk wel uitbreiden, maar volgens mij zullen vooral Kosovo en Macedonië de volgende stations zijn, niet Vojvodina. Er zijn geen tekenen dat Hongarije zich zal laten provoceren, het beschikt ook niet over de militaire middelen om te interveniëren, maar bovendien zal de samenleving zich ertegen verzetten, zelfs extreem-rechts zal niet oproepen tot een militair avontuur in Vojvodina.”

Szokai meent dat ook Servië zélf een conflict met Hongarije alleen al uit de weg zal gaan omdat de belangrijkste communicatielijnen van de Balkan met West-Europa via Hongarije lopen. Als Belgrado zijn economische problemen wil oplossen heeft het Hongarije nodig, zo gelooft hij. Szokai pleit er dan ook voor dat Servië een “positief alternatief” wordt geboden. “Het Westen moet economische hulp aanbieden in plaats van een embargo af te kondigen. Het moet zeggen "als jullie de grenzen en de rechten van minderheden respecteren dan krijgen jullie hulp, anders niet'. Maar met geweld krijg je de Serviërs er nooit onder, dat werkt alleen maar averechts. Via zo'n hulpprogramma zou je tenminste ook goede contacten kunnen leggen voor de situatie van na de oorlog, met de regering na Milosevic.”

György Bence ten slotte, in de jaren '70 de meest vooraanstaande dissident van Hongarije en tegenwoordig hoogleraar filosofie aan de universiteit van Boedapest, waarschuwt dat Hongarije niet moet overreageren wanneer de Hongaarse minderheden in de omringende landen worden onderdrukt. “Overal in de buurlanden van Hongarije, Servië, Kroatië, Roemenië, Slowakije zie je opnieuw autoritaire tendenzen. Het is te hopen dat Hongarije zelf niet zwicht voor de extreem-rechtse verleiding. Hitler is tenslotte ook zonder coup aan de macht gekomen.”

    • Frits Schaling