Blootshoofds

In de rubriek In de Marge (NRC Handelsblad, 4 september) schrijft F.K.: “De staatsscretaris van Voorst tot Voorst gaat prompt in de aanval: als de onafhankelijke rechter zo slap is, zal hij het hoofddeksel buiten diensttijd zèlf voorschrijven.”

Het dragen van een hoofddeksel buiten de diensturen is echter altijd voorgeschreven geweest. Verzuimd is slechts, toen per 1 januari 1991 de oude Wet op de Krijgstucht werd vervangen door de nieuwe Wet militair tuchtrecht, het handelen in strijd met dit voorschrift uitdrukkelijk disciplinair strafbaar te stellen.

Wèl is disciplinair strafbaar gesteld het in uniform nodeloos slordig gekleed gaan. Naar het oordeel van de militaire rechter valt het zonder hoofddeksel in uniform lopen niet onder de aanduiding "nodeloos slordig gekleed gaan'. De militaire rechter beroept zich op de memorie van toelichting bij de Wet militair tuchtrecht. Onder nodeloos slordig gekleed gaan moet worden verstaan: “een in aanzienlijke mate onzorgvuldige wijze van dragen van kleding”.

Volgens de staatssecretaris loopt een militair in uniform zonder hoofddeksel wèl nodeloos slordig gekleed. De memorie van toelichting bij de Wet militair tuchtrecht vermeldt eveneens: “Het uniform is ook buiten de militaire sfeer uiterlijk kenmerk van het behoren tot de krijgsmacht: het bepaalt in zekere zin het gezicht van de krijgsmacht naar buiten. Daarom is het gewenst ook voor de situatie buiten de militaire samenleving regels te stellen op de wijze van dragen van het uniform.”

F.K. schrijft ook: “Dit is dezelfde bewindsman onder wiens verantwoordelijkheid onlangs werd afgezien van disciplinaire vervolging van de mariniers die het opvangcentrum Perron 0 wel eens zouden schoonvegen.”

Dat de mariniers zich misdroegen bestrijdt niemand. Het vervelende is echter dat militairen, die zich buiten de kazerne misdragen, krachtens de nieuwe Wet militair tuchtrecht uitsluitend disciplinair strafbaar zijn indien zij in uniform gekleed gaan. Door velen (ook door het Hoog Militair Gerechtshof) is er in het verleden op gewezen dat het criterium in dit soort gevallen niet dient te zijn "wel of niet in uniform', maar "wel of niet als militair herkenbaar'. De wetgever heeft echter voet bij stuk gehouden. Men kan moeilijk beweren dat een marinier in burger een militair in uniform is.