Verwachtingsgevoel

“Het voetbalgevoel, dat is de sfeer van verwachting die ontstaat als je op zondag door een zonnige straat loopt en je hoort in de verte plotseling gejuich uit een stadion”. Dat zinnetje stond in een uitgave van Vrij Nederland van 9 juni 1990, aan de vooravond van de eindstrijd om het wereldkampioenschap. Zondag jongstleden wandelde ik door Amsterdam-Zuid, op weg naar het stadion en inderdaad: de zon scheen wel degelijk, ook was er enig gejuich, want de D-junioren van Ajax en AFC (zeer oude clubs met zeer jonge spelertjes) gaven elkaar partij in een voorwedstrijd. De hierboven gesignaleerde sfeer van verwachting bekroop mij. Het voebalgevoel (zo praatte ik die uitgave van VN gehoorzaam na) “dat is die streep tussen zon en schaduw op het gras”. Ook dat klopte.

Toch bleef dat superieure, machtige gevoel niet ongeschonden tot kwart over vier. Er kwam sleet op en ik heb, terugrijdend naar mijn landelijke dreven, erover gepeinsd hoe dat toch kwam. Zijn onze dromen en hooggestemde gevoelens dan nooit bestand tegen de harde werkelijkheid? Vermoedelijk niet. Ik zal niet zeggen dat er slecht werd gevoetbald, al vielen er een paar spelers door de mand. Op een aantal van 22 hoeft dat niet rampzalig te zijn. Maar dat naïeve, verwachtingsvolle gevoel, dat we deelgenoot zouden worden van een subliem gebeuren - dat gevoel hield geen stand. Ik denk dat het slechts een heel enkele keer kan overleven. Er was eens een wedstrijd PSV-Ajax in Eindhoven, met 3-2 door de Brabanders gewonnen, die schitterend spel opleverde. Zo goed zelfs dat niemand na afloop via een verstandige uitleg kon verklaren hoe dat mogelijk was geweest. Terwijl het antwoord wellicht toch simpeler was dan vele voetbalgeleerden dachten: beide elftallen wilden aanvallen. Dat is op dit niveau zelden het geval en het was ook niet aan de orde op 5 september jongstleden.

Nu golden weer de aloude argumenten. Aanvallen betekent risico's nemen en sinds de bijbelse Koning Saul in zijn eigen zwaard viel, pogen voetballers alom ter wereld zulks te vermijden. Waarom dat uitgangspunt die ene keer in Eindhoven overboord werd gegooid, zal wel eeuwig en raadsel blijven. Ditmaal in Amsterdam was men aan PSV-zijde in elk geval weer goed bij de defensieve les. Wat dan verder opvalt, is dat een "groene' speler als Ernest Faber, eigen kweek van PSV, doodgemoedereerd "op Bergkamp' wordt gezet en het karwei uitstekend klaart. Dat tekent de klasse van Faber en het zegt ook iets over het verschil in moeilijkheidsgraad tussen aanvallen en verdedigen. Bergkamp hoort tot de beste aanvallers van Europa, zo niet van de wereld, en toch wordt hij uit de wedstrijd gespeeld door een jongen van 21 die in het grote voetbal vrijwel geen ervaring bezit. Nu is er de herinnering aan dat ware verhaal uit Engeland. Stanley Matthews, wizzard niet van Oz maar van Engeland, speelde tegen een volledig onbekende verdediger van Leicester City en verspeelde alle ballen aan hem. Niets lukte de maestro. Geen enkele truc had succes. Drie maanden later bleek de verdediger door zijn club op de transferlijst te zijn geplaatst wegens gering succes. Alleen tegen Matthews was hij zijn plaats waard.

Nu zal dit wel niet voor Faber gelden en ook is het huidige voetbal niet te vergelijken met dat uit de jaren vijftig. Matthews kreeg ruimte om een bal ongestoord aan te nemen. Daarna moest hij zichzelf redden. Bergkamp krijgt geen meter ruimte en Faber hoefde het werk ook niet in zijn eentje op te knappen. Hulp was voortdurend dicht in de buurt. Niettemin vraag ik mij meer en meer af welke ruimte de aanvallers nog gegund wordt om iets moois op te bouwen. Je moet wel een Maradona in diens gloriejaren zijn om de bewakers nog van je af te kunnen schudden. Die goal tegen Engeland na een rush langs ten minste vier man blijft de voetballiefhebber dan ook bij tot in de volgende wereld.