"Vergoeding schade niet via strafrechter regelen'

GRONINGEN, 8 SEPT. Slachtoffers van misdrijven zijn niet gebaat bij de nieuwe schadevergoedingsregeling, die een vergoeding via het strafproces regelt. Ze lopen in de nieuwe regeling het risico dat de rechter een te lage schadevergoeding oplegt. Het wetsontwerp moet dan ook niet door de Eerste Kamer worden aangenomen, tenzij in aangepaste vorm.

Dit betoogde prof. mr. W.H.M. Reehuis vanmiddag in zijn inaugurele rede bij zijn ambtsaanvaarding als hoogleraar in het privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.

In de nieuwe schadevergoedingsmaatregel wordt een veroordeelde verplicht de staat een geldboete te betalen, die ten goede komt aan het slachtoffer. De schadevergoedingseis in de strafzaak moet volgens het wetsvoorstel wel eenvoudig zijn. Het slachtoffer krijgt daarbij de mogelijkheid zijn vordering te splitsen in een eenvoudig en moeilijk deel, waarbij hij dat laatste via een civiele procedure kan laten behandelen. Om slachtoffers de moeite te besparen het incasseren van de vergoeding zelf te regelen, treedt het Openbaar Ministerie als incassobureau op.

In de oude situatie kon een slachtoffer krachtens de "voegingsprocedure' een vordering indienen tot maximaal 1.500 gulden, in het nieuwe wetsvoorstel wordt geen maximaal bedrag meer vastgesteld. Toch verbetert de positie van het slachtoffer weinig of niet, aldus Reehuis. “In de eerste plaats is het slachtoffer geen partij. De dader betaalt aan de staat en de staat int de boete. In 1990 blijkt dat 65 procent van de veroordeelden de hun opgelegde boete niet vrijwillig betaalde. Aan de effectiviteit van het optreden van het Openbaar Ministerie als incassobureau hapert dus wat. Als een dader niet betaalt, zal de officier van justitie vervangende hechtenis toepassen. Maar daar heeft het slachtoffer niets aan.”

Reehuis stelt dat de hoogte van de op te leggen schadevergoeding nooit gelijk zal zijn aan de werkelijk veroorzaakte schade, zoals in het civiele recht wel het geval is. Rechters hebben de vrijheid rekening te houden met bijvoorbeeld de financiële positie van de dader. Zo denkt Reehuis bij voorbeeld dat het strafrecht een veroordeling van een bulldozermachinist tot betaling van 250.000 gulden al snel als een buitenproportionele reactie zal zien. Al beliep de schade die deze man, overmand door liefdesverdriet, met een bulldozer aan auto's en huizen toebracht daadwerkelijk dat bedrag.

Het slachtoffer kan weliswaar, zo stelt Reehuis, voor het deel van de schade dat niet vergoed is, alsnog naar de civiele rechter stappen. ,Maar dan begint het hele verhaal opnieuw, wat frustrerend is voor het slachtoffer.'' Daarnaast zou dat de situatie kunnen scheppen dat een dader voor hetzelfde delict tegelijkertijd met het openbaar ministerie en de deurwaarder te maken krijgt.