Stilte rond het Concertgebouw

De stilte van mijn jeugd is me altijd bijgebleven; de stille rust van voor de Eerste Wereldoorlog. Als ik aan die tijd terugdenk, is het alsof ik in een fotoalbum blader vol momentopnames. Ik zie weer het kale landje waarbij ik woonde, dat later het Roelof Hartplein zou worden.

Aan het landje lagen in de diepte de landerijen en tuinderijen, die zich uitstrekten tot voorbij de Amstelveenseweg. Zo nu en dan werd de stilte verbroken door hondengeblaf uit de boerderij Op Hoop van Zegen.

De Van Baerlestraat had in die tijd iets van een stille Parijse Avenue. Men zag er vaak de koetsjes rijden van Hirsch en de Bonneterie met op de hoge bok de in livrei gestoken koetsier en palfrenier, die naar de dienstmeisjes in hun bonte japon, witte schort en tulemuts lonkten.

De zijstraten waren nog niet afgebouwd en liepen dood op tuinderijen en opgehoogde zandvlaktes.

Op donderdagavond werd de stilte van de Van Baerlestraat verstoord door de aanrijdende koetsjes van de abonnementsleden van het Concertgebouw voor het bijwonen van een concert. Na afloop van het concert stonden de dames en heren, allen in avondtoilet, in de hal te wachten op het voorrijden van hun equipages. Hun namen werden luid door de koetsiers afgeroepen; zwepen knalden; de paarden zetten zich in beweging. Kort daarna was de rust weer in de Van Baerlestraat teruggekeerd.

Achter het Concertgebouw was "De Tuin van het Concertgebouw', die de vorm had van het huidige huizenblok, zoals dat op deze plaats werd gebouwd nadat de tuin in 1923 was opgeheven.

Om de tuin stond een ijzeren hek met statige populieren. Rondom waren houten tribunes gebouwd met in het midden het muziekpaviljoen. Op enkele plaatsen waren de tribunes onderbroken en afgezet met een rieten wand.

De De Lairessestraat bestond nog niet, dat was een kaal landje dat door liep tot de Amstelveenseweg.

Wanneer op zondagmiddag bij goed weer het Concertgebouworkest een concert gaf, stond bij de rieten wand een groep zwijgende Amsterdammers.

Het was de tijd, dat het bijwonen van een symfonieconcert hoofdzakelijk het voorrecht was van een bepaalde klasse, het "volk' was er ook, maar stond aan het hek te luisteren.

De groep, schertsenderwijs de "hekleden' genoemd, bestond hoofdzakelijk uit mannen. Ik ben er menigmaal ook geweest met mijn moeder; later heb ik de indruk gekregen dat zij mij uitsluitend meenam, om daar niet alleen tussen al die mannen te staan. Matthijs Vermeulen, de musicus en de politieke tekenaar Jordaan hebben als berooide jongemannen daar ook aan het hek staan luisteren.

Bij het hek heerste een opmerkelijke stilte, zo nu en dan verstoord door het geratel van een koetsje of het getingel van lijn drie uit de Van Baerlestraat. Altijd zal ik me een mannetje blijven herinneren, dat wanneer een stuk was geëindigd, een paar kleppers te voorschijn haalde en er hard mee begon te klepperen, niemand lachte. Ik vraag me nu af, of het niet een vorm van protest was.

De tuinconcerten hadden meestal een populair programma. Nog steeds wanneer ik de Oberonouverture hoor, komt de "Tuin' me voor de geest.

Ik kende de tuin tot in alle hoeken en gaten. Met een vriendje, het zoontje van de administrateur van het Concertgebouw, de heer Smies, mochten we in de zomervakantie vrij gebruik maken van de tuin, waar we onvergetelijke avonturen beleefden.

Tegenover het Concertgebouw lagen de omsloten terreinen van de "Amsterdamse IJsclub' met zijn fraaie clubgebouw, waar men 's winters de Amsterdamse elite zag zwieren. Hoewel er druk geschaatst werd, heerste er een rustige sfeer. Ik stond vaak aan het hek te kijken. Hier was het, dat ik voor het eerst de wals "Les Patineurs' hoorde.

Rondom het ijsclubterrein was het Museumplein, in de volksmond "De Gouden Rand' genoemd, met de kapitale huizen en villa's. Hier woonden de patriciërs en de welgestelden. Er was nauwelijks verkeer; uit de huizen kwam de stilte je tegemoet.

Wanneer je er 's avonds liep, zag je in de souterrains - je zou ze ook kelders kunnen noemen - de huishoudelijke staf; de keukenmeid, het eerste meisje, het tweede en vaak nog het derde meisje. Als je wat hard stapte zag je zo nu en dan door het lage venster, een jong bleek gezicht opkijken; een beeld, dat je eeuwig bijblijft.

De "Gouden Rand' was eens in feesttooi. Het was bij de geboorte van Juliana. Aan elke boom van het Museumplein hing een groot aantal oranje lampions, die de omgeving in een feeërieke tuin hadden veranderd.

Zo nu en dan heb ik heimwee naar die rustige stilte uit mijn jeugd.