Roddelen over WFH WFH-verzamelkrant Over Willem ...

Roddelen over WFH WFH-verzamelkrant Over Willem Frederik Hermans. Jrg 1 nr 4, sept.1992. 32 blz.ƒ5. Kuipersstraat 76'', 1074 EN Amsterdam

Schrijvende tachtigers The Paris Review, 123. 246 blz.ƒ7. 45-39 171st Place, Flushing, NY 11358 USA

Emotionele erupties Mens & Gevoelens nr.36, sept/okt 1992. 50 blz.ƒ4,95

Roddelen over WFH

Voor niet-doorsnee liefhebbers van Willem Frederik Hermans bestaat sinds een jaar de WFH-verzamelkrant. Met dit soort dingen: “Men wijst ons erop dat Juusje Hartman de ontwerpster was van het omslag van de eerste druk van De tranen der acacia's (1949). Eerder meldden wij al dat tekenares Hartman de door Adriaan Morriën aangeduide "matresse van WFH' was in de jaren 1946-48.”

HvdM's Privé, vooral in de "Hermansiana' waarmee elk nummer opent. Alleen, de WFH-verzamelkrant vermengt, anders dan de gewone roddelbladen, bewondering met venijnige kritiek. Zo wordt geprobeerd een heus WFH-museum te vestigen in een van de Amsterdamse woonhuizen waar de schrijver zijn jeugd doorbracht, en verzorgt het blad de distributie van wetenschappelijke artikelen van Hermans: de syllabi Klimatologie en Kartografie, Overzicht bodemgroepen en Luchtcirculatie en klimaatgordels, alle uit 1972 en "vaak moeilijk te krijgen'. Maar in het vorige nummer bijvoorbeeld uitte Bob Polak zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van filmmaker Fons Rademakers (gewoon doorwerken tijdens de bezetting en een zekere betrokkenheid bij de moord van zijn zwager Louis van Gasteren op een joodse onderduiker) en vroeg hij zich af waarom Hermans De donkere kamer van Damocles uitgerekend door Rademakers heeft laten verfilmen - “Grote mond over Ed. Hoornik, grote mond over Bert Voeten,maar met wie ging WFH zelf in zee?”

Die opstelling tilt de kleine WFH-verzamelkrant ondanks alle gezever (“Helman lijkt ons geen vriend van WFH. Wij zoeken dit uit.”) uit boven de gewone studieuze of dweperige organen die aan schrijvers worden gewijd. Het aardigst is misschien het feuilleton "Herinneringen van Adriaan Morriën'. “Ik denk dat hij voor eem heleboel jongemannen, want hij had en heeft natuurlijk vooral invloed op jongens en jongemannen, iets heeft bevestigd wat iedere puber heeft: de wrok tegen zijn vader en tegen zijn afkomst.” Hoe veel vrouwelijke Hermansvorsers zijn er eigenlijk?

En over bewondering van Hermans' kant: “Want hij duldt niemand naast zich. Er komt bijna nooit een woord van lof over zijn lippen over wie dan ook uit de Nederlandse literatuur, behalve dan over Multatuli. Die is al zo lang dood, die kan niemand meer hinderen.”

Het nieuwe, vierde nummer gaat over WFH in de oorlogsjaren en dan wreekt zich hoe weinig persoonlijks de schrijver in vijftig jaar tijd over zichzelf heeft losgelaten. De redactie wist werkelijk niets bijzonders boven tafel te krijgen - het enige spectaculaire is het miniverhaal over Anton van der Waals, de ter doodveroordeelde verrader die model stond voor Osewoudt uit De donkere kamer van Damocles.

WFH-verzamelkrant Over Willem Frederik Hermans. Jrg 1 nr 4, sept.1992. 32 blz.ƒ5. Kuipersstraat 76'', 1074 EN Amsterdam

Schrijvende tachtigers

Veel voorpublikaties van uitgeverij W.W. Norton dit keer in The Paris Review: van Daniel Stern, Linda Pastan, May Sarton, Charlie Smith, Delmore Schwartz en James Laughlin. De laatste twee schreven elkaar talloze brieven, Schwartz (1913-1966) was een veelbelovend jong dichter en Laughlin was uitgever van New Directions. Volgens The Paris Review is hun correspondentie uit de jaren 1938-1963 exemplarisch, ook nu nog, voor de relatie tussen een schrijver en zijn uitgever. “If you don't mind being labeled, I think you are going to be the American Auden”.

Maar hij was tegelijkertijd ouderwets voorzichtig met het aankomende talent: “There is always the danger that the young writer will go after the money first and in so doing imperil his ability to do real creative work.” Laughlin, met zijn goede oog voor werkelijk vernieuwend werk, wilde Schwartz erg graag hebben - “The thing is to get the nonconforming stuff in print when it is written and not fifteen years after.”

Geleidelijk aan sluipen onaangenaamheden en ruzies in de briefwisseling. Schwartz, het model voor Von Humboldt Fleisher in Saul Bellows roman Humboldt's Gift, dronk veel te veel en werd nogal eens cynisch en kwaadaardig. Paris Review drukt ruim veertig van hun brieven af. De uitgever in 1951: Ik denk dat het uitgeven zoals we dat tot nu toe kenden binnen vijf jaar zal verdwijnen. De zaken gaan dit jaar slechter dan sinds mensenheugenis en degenen die niet tenminste drie bestsellers hebben gehad of Kroon-Boeken maken zich op om zich dood te schieten.” Schwartz ging ten onder aan drank en paranoïa, anoniem in een New Yorks hotelletje. Tussen zijn laatste regels die nog te ontcijferen waren stond: “The poisonous world flows into my mouth / Like water into a drowning man's.”

May Sarton (1912) heeft een jaar of tien weinig van zich laten horen maar onlangs publiceerde ze met Endgame een verslag van haar 79ste levensjaar. Nu weer drie nieuwe gedichten, over haar tachtigste:

Coming into eighty

I slow my ship down

For a safe landing.

It has been battered,

One sail thorn, the rudder

Sometimes wobbly.

We are hardly a glorious sight.

De Egyptische Nobelprijswinnaar Naguib Mahfoez is een andere tachtiger in dit nummer. Paris Review interviewde hem in de Writers at Work serie. “Fiction is art for the industrial age. It represents a synthesis of man's passion for fact and his age-old love affair with the imagination.” Mahfoez schreef meer dan dertig romans. Over de kwestie-Rushdie zegt hij dat individuen het recht hebben een gemeenschap aan te vallen, maar dat Moslims op hun beurt waarden mogen verdedigen. Rushdie spuide in zijn Satanic Verses geen mening maar beledigingen - “I found the insults in it unacceptable. Rushdie insults even the women of the Prophet! Now, I can argue with ideas, but what should I do with insults?” Mahfoez is gelovig maar vreest religieus fundamentalisme.

The Paris Review, 123. 246 blz.ƒ7. 45-39 171st Place, Flushing, NY 11358 USA

Emotionele erupties

"Margreet Dolman's Mens & Gevoelens' dat als geen ander blad open staat voor aankomend, ongepolijst literair talent, brengt een voor-herfstnummer. Ook de ergste candlelightverzen worden door "emotioneel hoofdredactrice' Margreet Dolman in haar brievenrubriek afgedrukt en tussen alle oprecht emotionele erupties, steeds voorzien van fraai commentaar, zit soms een verrassing:

Jaren lang zag ik

je lopen.

Dan blond, dan lachend,

dan ernstig en donker.

Maar altijd een jongen van

veertien ver

weg.

Nu lig je naast me en wil je

dit en ook dat en morgen

grijnst vals door het raam.

Vooral redelijk onbevangen lezers zullen aan Mens & Gevoelens plezier kunnen beleven. Bij voorbeeld aan een brief uit Rosmalen: “Lieve Margreet - Vanmorgen besefte ik ineens, dat ik weer eens door mensen was platgetreden. Op de wc heb ik toen eens lekker na zitten denken, over platgetreden worden en andere nare dingen. [-] In mijn dorp hebben we schrijfmensen, tekenkindjes, kunstpersonen en ook stoplichten.”

De illustraties in M&G bestaan hoofdzakelijk uit foto's van mooie lieve jongens en tamelijk slappe strips. Het vraaggesprek voor dit nummer werd gevoerd met "undercat' Frans Pointl: “Ik had verwacht dat het succes kortstondiger zou zijn” en “Ik ben te neurotisch en te impulsief om 's morgens met een leeg vel papier achter de schrijfmachine te gaan zitten.” Pointl wil niet meer over zijn jeugd schrijven. “Ik heb m'n fantasie toch?”

Mens & Gevoelens nr.36, sept/okt 1992. 50 blz.ƒ4,95