Raad van State negatief over milieuheffing op grondwater

ROTTERDAM, 8 SEPT. De Raad van State heeft "zeer kritisch' geadviseerd over het wetsvoorstel om volgend jaar een milieuheffing op het verbruik van grondwater in te voeren. Er zou niet voldoende zijn aangetoond dat er een relatie bestaat tussen grondwaterverbruik en milieu terwijl de wet dat wel pretendeert. Dat bericht Het Financieele Dagblad.

Het ministerie van financiën bevestigt de strekking van het bericht maar kan niet ingaan op de inhoud van het niet-openbare advies. Het ministerie van VROM kende het advies nog niet. De vereniging van waterleidingbedrijven in Nederland, de VEWIN, toonde zich aangenaam verrast. Onzeker is of het wetsvoorstel nu opnieuw in de ministerraad behandeld zal worden of dat het ongewijzigd wordt doorgestuurd naar de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel om per 1 januari 1993 een heffing op het verbruik van grondwater in te voeren werd begin juni voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Het voorstel maakt deel uit van de "Wet verbruiksbelastingen op milieugrondslag' waarin ook een heffing op het storten van afval wordt voorgesteld. Ook over de vermeende milieu-effecten daarvan heeft de Raad van State overigens bedenkingen.

De voorgestelde belastingen op grondwaterverbruik en het storten van afval moeten samen jaarlijks ongeveer 475 miljoen gulden opleveren. De inkomsten, toe te vloeien naar de algemene middelen, zijn bedoeld als praktische aanvulling op de WABM, de wet algemene bepalingen milieuhygiène. De Tweede Kamer verwierp vorig jaar een voorstel van het kabinet om de WABM-brandstofheffing zozeer op te voeren dat de overheidsinkomsten daaruit zouden stijgen van 1,5 miljard naar 2 miljard gulden in 1993.De Kamer adviseerde de ministers Kok (Financiën) en Alders (Milieu) aanvullende inkomsten te zoeken uit heffingen op andere activiteiten die een sterke invloed hebben op het milieu, zoals het gebruik van grondwater, het storten van afval en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De ministers beperkten zich tot afval en grondwater.

Voor wat betreft grondwater was de motivatie dat een ongebreidelde grondwateronttreking de vitale watervoorraden in gevaar brengt, leidt tot daling van de grondwaterstand ("verdroging') en bovendien dat drinkwater bereid uit grondwater thans bijna half zo goedkoop is als drinkwater uit oppervlaktewater (volgens VEWIN-statistieken ruwweg 1,10 en 2,40 gulden per kubieke meter). Bedrijfsleven en VEWIN hebben al in een vroeg stadium geprotesteerd tegen het wetsvoorstel.