Met Duitse economie is weinig mis

Een maand geleden meldden de Duitse kranten een explosie van de belastingopbrengsten. Over de eerste zes maanden van 1992 was 323,8 miljard mark binnengekomen. Een record: 50,3 miljard of 18,4 procent meer dan in de eerste helft van '91, wat een Westduits topjaar was dankzij de baten van de Duitse eenwording.

Nu hadden er uitzonderlijke omstandigheden gegolden, zoals de op 1 juli '92 geëindigde solidariteitsopslag à 7,5 procent. Niettemin, zei staatssecretaris Manfred Carstens van financiën, “is er voor alle belastingcategorieën een dynamische en positieve ontwikkeling te zien”. Kassa voor zijn minister Theo Waigel (CSU) en de deelstaten en gemeenten dus.

Op 16 augustus verdedigde prof. Otmar Issing, lid van de directie van de Bundesbank, in een vraaggesprek met de Welt am Sonntag, de in het buitenland veelgekritiseerde straffe rentepolitiek van zijn bank. Voor alles gaat het de centrale bank in Frankfurt om de stabiliteit van de D-mark, dat is ook een verplichting jegens Europa, zei hij in het gesprek, dat als kop kreeg: “Ik zie goede kansen voor een duurzame economische opbloei”.

Op 18 augustus kwam minister van economische zaken Jürgen Möllemann (FDP) met een groeiprognose van 2,5 procent reëel tot 1996. Voor 1992 gold toen nog een raming van 2 procent groei, mede dankzij een bijdrage (vanaf het huidige heel lage niveau) van circa tien procent van de verhoudingsgewijs kleine Oostduitse economie. Het zou teveel ruimte vergen om ze hier allemaal op te noemen, maar de prognoses van Duitse economische instituten tendeerden praktisch allemaal in dezelfde richting. De media konden goede berichten naar de vakantiegangers in Zuid-Europa sturen.

Maar binnen twee weken, na ommekomst van de parlementaire en de “gewone” vakanties, leek het allemaal heel anders geworden. Op 1 september kwamen berichten los dat de produktiecijfers van juni op juli met 0,5 procent slechter waren geworden. Dezelfde dag werd een stijging van het aantal faillissementen met 14,2 procent (tot 4.780) in de eerste helft van '92 bekend. Dat 1991 een absoluut economisch topjaar was geweest, had het Duitse centrale bureau voor de statistiek wel als mede verklarende toelichting gegeven, maar veel aandacht kreeg dat niet. Hetzelfde gold voor de verzekering van de voorzitter van de Duitse industrie- en handelskamer, Hans-Peter Stihl, dat de conjunctuur beter was dan de stemming.

Een dag later, 2 september, werd de stemming echt slecht. Minister Möllemann deelde mee dat het bruto sociale produkt in het tweede kwartaal maar met 0,6 procent was gegroeid in vergelijking met '91 en de arbeidsproduktiviteit zelfs met 0,4 procent was gedaald. Hij sprak van een “waarschuwings-signaal”, wees op de nog aarzelende internationale conjunctuur en de ongunstige invloed van het uitblijven van een Gatt-akkoord en corrigeerde de groeiraming voor 1992 (tot 1,5 procent in heel Duitsland) prachtig zó: “de economische ontwikkeling komt heden maar gedeeltelijk overeen met onze eerdere projecties”.

Dat bij een groei van 0,6 procent in vergelijking met het recordjaar '91 een stagnatie was ingetreden op een peil waar menig ander land voor zou tekenen, kreeg weer niet zóveel aandacht. Het nieuws dat de werkloosheid in augustus nominaal was gedaald (tot 1,8 miljoen werklozen in West- en 1,2 miljoen in Oost-Duitsland, of 6 en 14,4 procent) maar gecorrigeerd voor seizoensinvloeden eigenlijk was gestegen, kwam daar als een domper bovenop. Aanhoudende twisten en onzekerheid over de financiering van een nieuwe, kostbare verzekering van de bejaardenzorg en tegenstrijdige berichten over komende milieuheffingen en belastingen op het autoverkeer hadden vele Westduitsers hun vakantie ook snel laten vergeten.

Daarbovenop kwamen de berichten en beelden over de gewelddadige uitbarstingen van vreemdelingenhaat die sinds 28 augustus (Rostock) het nieuws in de media beheersen en die behalve met het trieste asiel-debat met de grote Oostduitse economische misère én de noodzaak van grotere Westduitse offers in verband worden gebracht.

In dat politiek-psychologische klimaat kwam een groep van circa 60 Oostduitse CDU-Bondsdagleden eind augustus met de fractietop bijeen in Leipzig. Uit hun overleg, dat geleid werd door fractievoorzitter Wolfgang Schäuble, kanselier Kohls “kroonprins”, rolde een serie fiscale en financiële recepten en wensen die kennelijk niet vooraf met Kohl of de coalitiepartners in Bonn (de CSU en de FDP) waren besproken. Er volgde, tot gisteren, een fantastische week, met dagelijks nieuwe, conflicterende suggesties uit de regeringscoalitie aangaande al dan niet verplichte, al dan niet fiscaal begunstigde, al dan niet (laag) rentende leningen. Voorts: geruchten over belastingverhoging en, natuurlijk, over een wellicht aanstaande grote coalitie met de SPD (en zonder Kohl en de FDP). Schade voor Kohl dus, schade voor Waigel ook, veel schade voor Schäuble (wiens verplichte-leningplan van tafel ging) en nieuwe onzekerheid in het land dat ondanks langdurige zware verplichtingen in Oost-Duitsland en Oost-Europa met zijn D-mark leiding moet geven in de EG.

Als het aan Kohl ligt komt er nu een “solidariteitspakt” met SPD, deelstaten en sociale partners voor de opbouw van Oost-Duitsland. De kanselier is bijna alom alweer afgeschreven. Maar hij plant niet voor de korte termijn maar voor de Bondsdagverkiezingen in 1994, waarin hij graag zoveel mogelijke politieke en andere partijen gebonden zou zien aan dat pact.

Op korte termijn is er met de (Westduitse) economie nog niet zóveel aan de hand als het lawaai uit Bonn wil. Minister Waigel zou vandaag in de Bondsdag beginnen met de verdediging van de begroting-'93 (uitgaven 436, inkomsten 398, dekkingsbehoefte 38 miljard mark). In zekere zin is dat een “fluitje van een cent”. De grote problemen komen pas straks, er is een redelijke kans dat Duitsland die al met al kan dragen. Tenzij zijn economie voordien door nerveuze politici, snel verontwaardigde Westduitse burgers en een soms groot media-papagaaienkoor echt kapotgezongen raakt. Volgens het economische instituut (IW) in Keulen is het de Westduitse burgers nog nooit zo goed gegaan als vandaag en beschikken hun huishoudens nu gemiddeld over 106.000 mark vermogen. Maar economie is vaak ook psychologie en misschien was de afgelopen week een voorproef.