LEO VAN DER KAR 1913-1992; Een stille helper

Hij zocht nooit zelf de publiciteit, liet zich niet uitbunding fotograferen met sporters die hij had geholpen en weigerde zijn idealisme te koppelen aan zakelijke belangen. Leo van der Kar, die in de nacht van zondag op maandag op 79-jarige leeftijd overleed, was geen geldschieter die in het volle licht wilde staan, maar een helper achter de coulissen. In 1960 richtte de Amsterdammer het Leo van der Kar Fonds op dat zich - met de hulp van veelal anonieme financiers - ten doel stelde jonge, aankomende sporttalenten die nog niet interessant zijn voor een commerciële sponsor de gelegenheid te geven een dure buitenlandse stage te volgen. Hele generaties namen zo de eerste horde naar een grote loopbaan.

Van der Kar wilde dienen. Op zijn eigen, onbaatzuchtige manier. Hij was na zijn actieve loopbaan masseur van atleten als Fanny Blankers-Koen en Wim Slijkhuis. Gratis natuurlijk. De twee kwamen als tegenprestatie zaterdagsmiddags in zijn sportzaak helpen.

De zakenman predikte gezonde sportbeoefening door amateurs. Hij was één van de eersten die, als conditietrainer van Zeeburgia en later DWS, de warming-up in de voetbalsport introduceerde. Hij ergerde zich aan de geringe aandacht op scholen voor het lichamelijk welzijn. Met de sexuele voorlichting zit het wel goed, zei hij dan, maar het lijkt me net zo belangrijk om kinderen te informeren over bloedvaten en hart, het motortje van het lichaam.

Die denkbeelden ventileerde hij doorgaans eenmaal per jaar. Rondom de bekendmaking van de sporters die een vaste keuzecommissie (“die er nooit een postzegel of een dubbeltje aan hebben verdiend”) had geselecteerd om onder deskundige leiding in het buitenland te bouwen aan hun carrière. In de loop der jaren hebben zo'n negenhonderd sportmensen geprofiteerd van het unieke fonds.

Het was een sportinstituut dat niet mee wilde dobberen op de golven van de nieuwe zakelijkheid. Maar met name de laatste jaren werd de druk steeds groter en merkte Van der Kar dat het lastiger werd voldoende geld bij elkaar te krijgen voor zijn doel. Hij begon als een weldoener, maar nu ben ik als wezen een bedelaar. Ik moet elk jaar met de pet rond om ht geld voor de stages bijeen te schrapen. De sponsors staan niet op het fonds te wachten. Wij kunnen immers geen televisie bieden, zei hij in 1989.