Jonge componisten bij Gaudeamus tonen zich driftig en agressief

Concert: Gaudeamus Muziekweek 1992 door Gaudeamus Ensemble o.l.v. Huub Kerstens, Utrecht String Quartet en Tomoko Mukaiyama (piano). Werken van Nilsson, Kaplan, Toovey en Johnson. Gehoord: 7/9 De IJsbreker, Amsterdam.

Naast Huub Kerstens was in De IJsbreker vanaf het plafond een los raam opgehangen, als een soort van venster op de wereld van de elektriciteit. Stak de dirigent daar zijn rechterarm doorheen, dan animeerden elektrische ogen samplers. En zo begon gisteravond in aanwezigheid van vijftig componisten uit twintig landen en geïnteresseerden in het allernieuwste de Gaudeamus Muziekweek 1992, in een vrolijk-woeste stijl, want dat was het anarchistische resultaat van Eidetics voor zes blazers, vier strijkers en twee slagwerkers van de Zweed Ivo Nilsson.

Dit jaar staat de muzikale wapenschouw in het teken van de jonge generatie, een agressieve, zo te horen aan dit eerste concert, met het accent op de blazers. Nilsson is trouwens zelf trombonist, de Amerikaanse Amelia Kaplan speelt klarinet en de Engelse componist Julian Johnson hoorn. Was het toeval dat de strijkers er maar voor spek en bonen bijzaten? In Nilssons werk - met een citaat van Edgar Varèse - dwalen ruige blazerssignalen door een woud van pizzicati, maar in Adam van de Engelsman Andrew Toovey komen cello en contrabas er al helemaal niet aan te pas, de hoge hobo en de harde trombone kunnen zo in het Guinness Book of Records.

Toovey was de enige componist op het openingsconcert die door de juryleden Zygmunt Krauze, Arne Nordheim, Joep Straesser en Sukhi Kang met nog tien anderen was geselecteerd uit een recordaanbod van 352 inzendigen uit 39 landen. Een tweede jury - Huib Emmer, Jan Vriend en Klas Torstensson - koos nog eens veertien composities uit, die niet meedingen naar de Gaudeamus-prijs. Toovey's Adam (op te vatten als een klaagzang op de zelfmoord van de jonge musicus Adam Collins, maar we mochten er ook het portret van van de oermens Adam in horen - hoe verzin je het!) betaalt tol aan zowel de stroming van de roekeloos overgeorganiseerde New Complexity als aan een door Feldman en Oosterse muziek geïnspireerde meditatieve New Simplicity. Die elementen staan nogal onhandig naast elkaar.

En eigenlijk gold dit ook de virtuoze pianosolo Movements van de Engelse componist Julian Johnson, geïnspireerd door de wisselende lichteffecten op het bewegend water, want ook hier speelde de tegenstelling van complexiteit en eenvoud, waarbij de eenvoud verzoop in de complexiteit. Voor het toetsen aan de klinkende werkelijkheid is Gaudeamus kortom zeer nuttig, zoals Nilsson en Kaplan veel konden opsteken van de moeizame klankbalans tussen de instrumenten. Kaplan produceert repeterende geluiden zoals die ontstaan als een cd-speler blijft hangen.

Als laatste werk klonk het strijkkwartet Fear and trembling van Alton Howe Clingan, afkomstig uit Hawaï. Ook een nogal chaotische compositie, maar met enkele eruit springende momenten, zoals een coherent betoog in de altviool, waar de drie andere stemmen als verdwaasde zombies omheen figureren, fascinerend.

Samengevat: de vier jonge componisten produceerden met veel drang driftige betogen, weliswaar ongericht en onhandig, maar in ieder geval vitaal en energiek. Als dit het venster is op de volgende eeuw, dan heeft uiteindelijk de richting van Varèse-Xenakis het gewonnen van die van Webern-Boulez. Maar laten we voor een definitief oordeel maar wachten tot aan het eind van deze Gaudeamus Muziekweek.