Gore diskwalificeert zichzelf met boek

Iemand redde ooit Kiplings gedicht Recessional (dat gaat over “dominion over palm and pine” en “lesser breeds without the Law” uit de prullenbak waarin Kipling het had weggegooid. Of hij de literatuur daarmee een dienst bewees, is betwistbaar. Maar dat Al Gore's boek Earth in the Balance in de prullenbak thuishoort staat buiten kijf.

Senator Gore, tevens de Democratische kandidaat voor het vice-presidentschap, zegt dat onze beschaving een “dysfunctionele familie” is. Hij is voorstander van een “geforceerde maatschappij-hervorming”, die “de grondvesten van onze beschaving” verlegt. Er zijn mensen geweest die zulke veranderingen hebben bewerkstelligd: Mozes, Jezus, Mohammed - maar de regering van de Verenigde Staten?

Gore's milieubewustzijn is een karikatuur van het hedendaagse progressief-liberalisme, een allegaartje van ongericht mededogen (jegens “de gehele aarde”) en groen schuldbewustzijn over het "consumptisme' (een zonde waar ze in Somalië en elders graag wat schuldiger aan zouden zijn).

Zijn oproep om “de redding van het milieu tot het centraal ordenend beginsel van de beschaving” te maken is gênant. Wat hebben we aan politici die niet inzien wat een mal figuur ze slaan met hun nieuwe “centrale ordenende beginselen” van de beschaving?

Wanneer de senator beweert, zoals hij onlangs opnieuw voor de televisie deed, dat er in “de gehele wetenschappelijke wereld consensus” bestaat over de mondiale temperatuurstijging, dan springt hij even nonchalant met de waarheid om als Bush' campagnevoerders met de belastingverhogingen van Bill Clinton.

Gore weet dat zijn vroegere mentor aan de universiteit van Harvard, de vorig jaar overleden Roger Revelle, oordeelde: “De wetenschappelijke basis van het broeikaseffect is thans te wankel om drastisch ingrijpen te rechtvaardigen. Uitstel van overheidsingrijpen is weinig riskant”. Gore weet, of zou moeten weten, voordat hij begint te oreren, dat volgens een recent opinieonderzoek van Gallup, van de wetenschappers die zich bezighouden met mondiaal klimatologisch onderzoek 53 procent niet van mening is dat er sprake is van temperatuurstijging, en dat 30 procent twijfelt.

Senator Gore schaart zich aan de zijde van mensen die tot voor kort veelal regelrecht de andere kant op marcheerden. Christopher Byron van het blad New York merkt op dat Stephen Schneider van het Nationaal Centrum voor Atmosferisch Onderzoek in Colorado een “milieuactivist voor iedere temperatuur” is. Tegenwoordig loopt Schneider warm voor het broeikaseffect; zestien jaar geleden ijsde hij van mondiale afkoeling. Onder de paniekzaaiers van vandaag zijn heel wat lieden zoals hij.

Gore klaagt dat de media zich concentreren op de controverse en zo de planeet in gevaar brengen, omdat ze sceptisch doen over een beleid waarover, beweert hij, consensus bestaat. Welnu, sceptici (bijvoorbeeld over het gifschandaal van Love Canal, de zure regen, het - zo blijkt - niet bestaande gat in de ozonlaag boven het Noordelijk Halfrond) krijgen achteraf maar al te vaak gelijk, lang nadat ze voor immoreel zijn uitgemaakt.

Gore, die het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht in regeringskringen in Washington, stroomt over van het voor die kringen karakteristieke soort zelfverzekerdheid. Hij kent de toekomst en weet precies wat die vereist, namelijk een ongekende uitbreiding van de overheidsbemoeienis - bestedingen, regelgeving, het evalueren van technologieën en het exporteren van welvaart.

Hij heeft in Washingtonse stijl leren beargumenteren dat zijn beleid in feite niets zal kosten. U kent dat wel: een bepaald program of besluit zal maken dat we gezonder worden, of slimmer of netter, waardoor de produktie zal toenemen, zodat de economie sterker groeit en de belastingopbrengst ook, dus de regeling "betaalt zichzelf'.

Een nieuwigheidje van hem is dat hij milieuvriendelijkheid als lucratief voorstelt: we worden er beter van als we produkten maken die "nodig' zijn voor het milieu. Kan zijn. Maar we weten al wie er zéker beter van wordt. Ronald Bailey bericht in de National Review over een studie van Rand waaruit blijkt dat 80 procent van het geld van een door Gore gesteund milieufonds - het Superfund, voor het opruimen van verontreinigde grond - is opgegaan aan honoraria voor één van de machtigste, en financieel dankbare, groepen in de achterban van de Democatische Partij: advocaten.

Het meest aftandse cliché in de hedendaagse Amerikaanse politiek is het "Marshall-plan' voor het één of ander (tegenwoordig gewoonlijk "de grote steden'). Het wordt opnieuw van stal gehaald door senator Gore, die roept om een "Mondiaal Marshall-plan'. Hij ronkt over de "hybris' van onze technologische beschaving, maar hij deelt de hybris van de regenten uit Washington die, na te hebben gefaald in hun banale maar nuttige taken vlak bij huis (scholen, bruggen, gezondheidszorg), zich nu geroepen voelen om mondiaal te gaan optreden.

Gore's specifieke denkbeelden (hij wil totaal nieuwe belastingen heffen, de auto aanmerken als "levensgevaarlijk' voor de beschaving en ga zo maar door) trekken geen kiezers. Maar ronduit onthutsend is de manier waarop hij met denkbeelden omgaat, de manier waarop hij klakkeloos extremistische ideeën omarmt die schijnbaar een enorme expansie rechtvaardigen van zijn gelijkhebberigheid en van de macht van de regering die hij zou willen vormen.

Zijn verbeten optreden als de eenzame evangelist in een wereld vol zondaars ontbeert een gevoel voor betrekkelijkheid, dat voortkomt uit historisch besef, en voor humor. Onze planeet is veerkrachtiger, de mate waarin het milieu wordt belast is minder ondubbelzinnig en de tekenen van milieuherstel bemoedigender dan Gore wil toegeven. Zijn boek, een mengelmoes van dubieuze wetenschap uit de jaren negentig en nog dubieuzere filosofieën uit de jaren zestig ("vervreemding' enzovoort), is een gegronde reden om de auteur niet tot een hoog regeringsambt te verkiezen, vanwaar hij ontvankelijke mensen zal bombarderen met slechte plannen die handenvol geld kosten.

© Washington Post/ NRC Handelsblad