Fijne neus

De hond blaft één keer. Er zijn prettiger manieren om wakker te worden. Maar hij blaft zelden voor niets. Ik doe mijn best om te horen wat hij heeft gehoord. Iemand in de tuin? In de keuken?

De hond blaft nog een keer. “Verdomme Rekel!” Dan flitst de bliksem, klapt de donder. Rekel jankend trap op, trap af.

Na verloop van tijd stap ik wankel uit bed. In het donker naar boven, mijn werkkamer, het raam. De hond springt op een stoel en zet zijn poten op de vensterbank, zodat we ongeveer even groot zijn, zodat hij aan mijn oor kan snuiven.

Samen staan we tegenover de vreemde wereld die nacht wordt genoemd. Rijtjeshuizen, bliksemflits, achtertuinen, donderslag, hier en daar een straatlantaarn. Loeit er al een brandweerwagen?

Rekel trilt. “Rustig maar, dit overleven we wel.” Ik ken hem zeven jaar en ik weet nog steeds niet of het woede is of angst. In elk geval zit het diep. Hij ziet het vaagste weerlicht, hij hoort het verste gerommel en komt onmiddellijk in actie.

Je hebt honden voor het opsporen van hasj of heroïne op een vliegveld.

Je hebt honden voor het opsporen van slachtoffers na lawines of een aardverschuiving.

Je hebt honden voor het opsporen van een verdwaald schaap, of een bange haas, of een voortvluchtige misdadiger.

De mijne zou je kunnen gebruiken voor het opsporen van onweer.