Exit Simons

Doordat ambtenaren van twee ministeries (van financiën en van WVC) de afgelopen jaren straal langs elkaar heen werkten, dreigt ons belastingtarief te worden ontwricht.

Hebben de meest betrokken bewindslieden uit achtereenvolgende kabinetten van CDA/VVD en CDA/PvdA een kapitale regiefout gemaakt, of zijn zij onwetend het slachtoffer geworden van departementale verkokering en de immense ingewikkeldheid van onze fiscale en sociale wetgeving? Hoe dat zij, de politieke toekomst van staatssecretaris Simons, naamgever van de laatste versie van het plan voor een grondige herziening van ons stelsel van ziektekostenverzekeringen, hangt inmiddels aan een zijden draadje, door de onvoorziene gevolgen die zijn blauwdruk heeft voor het gezamenlijke tarief van inkomstenbelasting en premies voor de volksverzekeringen.

Als uitvloeisel van de voorstellen van de commissie-Oort worden beide heffingen sinds 1 januari 1990 samen geheven, op basis van een geüniformeerde grondslag. Het tarief kent drie schijven. Over het inkomen in de eerste schijf is dit jaar 13 procent inkomstenbelasting verschuldigd, plus 25,55 procent aan premie voor vier volksverzekeringen. De bekendste daarvan zijn geregeld in de Algemene ouderdomswet en in de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ).

Het plan-Simons is niet meer dan een met lichtroze saus overgoten variant van voorstellen die al door Simons' voorganger, VVD-staatssecretaris Dees, zijn geformuleerd. Kern van het plan is de uitbouw van de AWBZ tot een basisverzekering tegen zorgkosten. Steeds meer verstrekkingen gaan daartoe over naar de AWBZ, sinds 1 januari van dit jaar bij voorbeeld de kosten van medicijnen. Om de scherp stijgende AWBZ-lasten te dekken, moet de premie fors omhoog. Vorig jaar bedroeg de AWBZ-premie 5,8 procent van het inkomen in de eerste schijf, dit jaar is dat al 7,3 procent. Daar staat tegenover dat de polispremie van particulier verzekerden in beginsel omlaag kan, al hebben velen daar in januari jongstleden weinig of niets van gemerkt. De reden is dat de zorgkosten de pan uitrijzen. Zonder Simons zouden de particuliere premies sterk zijn verhoogd (met ongeveer vijftien procent). Door Simons bleven zij nagenoeg gelijk. De premie voor lager betaalde werknemers en mensen met een uitkering, die verplicht zijn verzekerd in het ziekenfonds, daalt eveneens.

Gisteren berichtte deze krant dat de AWBZ-premie bij volledige invoering van het plan-Simons zal oplopen tot ongeveer 13 procent. Het tarief van de eerste schijf komt dan uit op 43 procent. Deze cijfers staan in een boek over belastingdrukverdeling en de te voeren fiscale politiek van mijn Groningse collega Vermeend, tevens lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Zijn schatting is duidelijk te laag. Was het plan-Simons dit jaar volledig ingevoerd, dan zou de AWBZ-premie inmiddels vijftien procent bedragen. Daarbij is uitgegaan van de kostenramingen uit het inmiddels achterhaalde Financieel Overzicht Zorg 1992. Door zich aftekenende kostenoverschrijdingen komt het percentage nog hoger te liggen. Het gevolg is een belasting- plus premietartief in de eerste schijf van 45 procent (de beide andere schijven zijn belast tegen 50 en 60 procent).

In deze column van 7 april 1992 is aangetoond dat - zonder bezuinigingsmaatregelen - de vergrijzing van de bevolking zowel de AOW-premie (dit jaar 14,35 procent) als de AWBZ-premie nog hoger zal opstuwen. Als gevolg hiervan zal het percentage van de eerste en de tweede tariefschijf rondom de eeuwwisseling gelijk (50) zijn.

De PvdA-bewindslieden raken verstrikt in problemen, omdat zij inkomenspolitiek willen voeren met botte instrumenten. De premies voor de volksverzekeringen stijgen extra fors, wanneer - zoals in 1992 en 1993 - de inflatiecorrectie onvolledig wordt toegepast. Bij inflatiecorrectie wordt het tarief zo verlaagd dat de gemiddelde belastingdruk niet stijgt als het inkomen procentueel net zoveel toeneemt als de kosten van levensonderhoud. Dit wordt bewerkstelligd door de belastingvrije som te verhogen en de schijven te verlengen met het percentage van de inflatie. Bij beperking van de inflatiecorrectie wordt de eerste schijf minder uitgerekt dan strookt met de geldontwaarding. Die kortere schijf betekent dat het draagvlak voor de premieheffing smaller is. Hierdoor is een extra hoog premiepercentage nodig om de voor AOW-uitkeringen en AWBZ-verstrekkingen benodigde gelden te vergaren.

De PvdA wil door beperking van de inflatiecorrectie hogere-inkomensgroepen meer belasting laten betalen, doordat zij eerder in een zwaarder belaste tariefschijf komen. Het onvermijdelijk gevolg is evenwel dat "modale' mensen in de eerste schijf hun belasting- en premiepercentage zien oplopen, omdat het kabinet op de lengte van hun schijf beknibbelt. Dit is precies de groep die de PvdA zou willen ontzien. Gevolg van deze paradox is bovendien dat het verschil tussen bruto en netto loon voor gewone belastingbetalers toeneemt. Dit kan de economie aanzienlijke schade berokkenen.

Zet het kabinet de operatie-Simons door, dan verdwijnt de herverdelende werking van belasting- plus premietarief vrijwel geheel, omdat 96 procent van alle belastingplichtigen nog voor het einde van de eeuw onder één verbijsterend tarief van 50 procent valt. Daar komen de premies voor de werknemersverzekeringen (WAO, WW en Ziektewet) nog bovenop. Alleen de rijkste 4 procent betaalt in het jaar 2000 over de top van zijn inkomen tien punten meer (60 procent). Deinst de linkse coalitiepartner - terecht - terug voor dit uitzicht op een nagenoeg proportionele belastingheffing, dan resteert slechts één alternatief: exit Simons.