Westen heeft zich totaal verkeken op Oost-Europa

Het ontbreekt het Westen ten opzichte van Oost-Europa aan kennis, verbeeldingskracht en moed. Die conclusie moeten we nu, bijna drie jaar na de val van de Berlijnse Muur helaas trekken. Van een behoorlijk, gecoördineerd Westers Oost-Europa-beleid is nauwelijks sprake. Het Westen heeft daardoor kansen gemist om de ontwikkelingen in de ex-communistische wereld positief te beïnvloeden.

Eén van de grootste problemen waarvoor het Westen stond na de eerste euforie van het ineengezakte communisme, was het opkomend nationalisme in Oost-Europa. Onvoldoende werd beseft hoezeer dat nationalisme was verstrengeld met het voormalig communisme en hoe ex-communistische leiders op het nationalisme overstapten om hun machtspositie te behouden. Het Westen verkeek zich totaal op de situatie omdat de nieuwe leiders de termen democratie, parlementair stelsel en markteconomie met grote vanzelfsprekendheid gebruikten.

Weinige ambtenaren op ministeries van buitenlandse zaken en op Westerse ambassades in Oost-Europa vroegen zich kennelijk af of dat wel kon, zo'n rimpelloze overgang van een totalitair naar een democratisch bestel. Maar vijf seconden nadenken had al voldoende moeten zijn om dat te betwijfelen. Zeker was grote twijfel op zijn plaats geweest bij landen als Roemenië, Bulgarije en Joegoslavië, die nauwelijks democratische wortels hebben.

In een latere fase van de post-communistische euforie verschoof de Westerse aandacht van de landen van Midden-Europa steeds meer naar de Sovjet-Unie. Gorbatsjov helpen met zijn perestrojka en later Jeltsin steunen, werd het voornaamste doel. Dat was een ernstige vergissing. In de eerste plaats was de Sovjet-Unie een enorm rijk waarop de Westerse politiek maar beperkt invloed kon uitoefenen. Uiteraard geldt dat nu nog voor het GOS.

In de tweede plaats was het succes van het democratiseringsproces in Midden-Europa lang niet zeker, maar waren de kansen op succes er groter dan in de Sovjet-Unie en had het Westen er grotere mogelijkheden tot beïnvloeding. Al in 1990 had het Westen ernaar moeten streven een sterk democratisch bolwerk te maken van de drie Vysegrad-staten (Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije). Dat had onze veiligheid en de kansen op stabiliteit in Midden-Europa vergroot.

Opvallend is hoe weinig het Westen heeft gedaan om het Slowaakse nationalisme in te dammen. De moeilijke economische situatie van Slowakije was bekend. De wapenindustrie was er sterk en dat betekende na de val van het communisme automatisch veel werkloosheid. Dat Slowaakse nationalisten zouden proberen daarvan te profiteren, was ook niet verwonderlijk. Grootscheepse Westerse economische hulp, gericht aan president Havel en bestemd voor Slowakije, had een positieve invloed kunnen uitoefenen. Nu keek het Westen toe hoe Havel zelfs de levering van Slowaakse tanks aan het Midden-Oosten moest toestaan, om de strijd om Slowakije ten slotte toch te verliezen.

Natuurlijk weten we niet of grootscheepse economische hulp aan Slowakije de afscheiding van dit land had kunnen voorkomen. Maar waar het hier om gaat, is dat er nauwelijks iets is geprobeerd. Het Westen wilde voor een dubbeltje op de eerste rang zitten en begreep niet dat juist na 1989 economische hulp vooral aan Midden-Europa van groot belang was. Onze politici waren bezig zich rijk te rekenen met wat bezuinigingen op defensie konden opleveren in plaats van met verbeeldingskracht aan de problemen in Oost-Europa te werken. De gelden die Nederland uittrok voor deze regio (80 miljoen voor 1990, 200 miljoen voor 1991 en 275 miljoen voor 1992) spreken boekdelen. Om nog maar te zwijgen over het geld dat ervan werd afgeknabbeld om onze ambassades ter plekke op te knappen.

De Joegoslavische crisis bewees nog onthullender hoezeer het Westen in kennis en verbeeldingskracht tekortschoot. Überhaupt is historische kennis onontbeerlijk als je je met Oost-Europa of de Balkan bezighoudt. Zonder dat is een Westerse diplomaat als een visser in de woestijn. Gezegd moet worden dat de Duitsers van meet af aan over veel kennis van Joegoslavië beschikten. Die kennis had het Westen moeten gebruiken, zij het dat de Duitse verbeeldingskracht over de middelen weleens tekortschoot.

E. Szirmai betoogde in deze krant (12-8) dat de onafhankelijkheidserkenning van Slovenië en Kroatië rampzalig is geweest. Maar Peter Michielsen corrigeerde dat terecht met de opmerking dat Joegoslavië midden 1991 zo dood was als een pier en dat de erkenning van de beide republieken toen onontkoombaar was.

Het Westen kon moeilijk de staatkundige eenheid onder groot-Servische leiding ondersteunen. Maar als je staten erkent, moet je ze ook toestaan zich te verdedigen. Ik had vorig jaar al de grootste moeite met het wapenembargo tegen Kroatië. De Kroaten werden door "hun eigen' Joegoslavische leger aangevallen, een derde deel van hun land was bezet en ze vochten met lichte wapens tegen tanks en gevechtsvliegtuigen. Toch maakte minister Van den Broek zich toen erg boos dat de Kroaten federale kazernes omsingelden in de hoop daar zware wapens buit te maken.

Wat het Westen met Bosnië-Herzegovina heeft gedaan is nog veel droeviger. We hebben het als zelfstandige staat erkend, maar passen wel een wapenembargo toe zodat de Serviërs het rustig kapot kunnen schieten. Natuurlijk zijn de Westerse democratieën niet moreel verplicht honderdduizenden soldaten te sturen om de vrede op de Balkan af te dwingen, maar wel dienen we een staat die wij hebben erkend de mogelijkheid te geven zichzelf te verdedigen. Zoals we ook Macedonië niet staatkundige erkenning kunnen onthouden wegens binnenlands-politieke problemen in Griekenland. Dat is marchanderen.