Nieuw begin voorde campionissimo zonder charisma

BENIDORM, 7 SEPT. Vorig jaar was de wereldtitel voor Gianni Bugno de bekroning van een geslaagd seizoen. Na een aarzelende start werd de zwijgzame Italiaan nationaal kampioen en in juli was hij de grootste concurrent van Tourwinnaar Miguel Indurain. Gisteren mocht de 28-jarige Lombardijn de regenboogtrui opnieuw aantrekken. Toen hij de supporters die zich in hun uitzinnige vreugde op hem stortten, was ontvlucht meldde Bugno de verzamelde pers dat zijn verrassende explosie in Benidorm een nieuw begin voor hem was. De campionissimo zonder uitstraling doelde op de afgelopen competitie, waarin de duur betaalde kopman van Gatorade maar een aansprekende zege behaalde: een tijdrit in de Ronde van Zwitserland.

De sportgekke Italiaanse fans hadden Bugno al min of meer ten grave gedragen. De wonderboy van 1991 bestond in hun ogen in elk geval niet meer. Hun juichkreten waren voortaan bestemd voor campione Claudio Chiappucci, een renner met veel charisma, een aanvaller bovendien die de wereldtop altijd en overal in verlegenheid kan brengen. Bugno maakte zich twee maanden geleden in eigen land extra impopulair door de vijand, Indurain, in de zware Tourrit naar Sestrieres te helpen in zijn jacht op hun geliefde Chiappucci. De mensenmassa in het Italiaanse bergdorp floot Bugno daarvoor zelfs uit.

De Tour was toch al geen succes voor Bugno, die na George Ronsse (1928 en 1929), Rik van Steenbergen ('56 en '57) en Rik van Looy ('60 en '61) de vierde renner is die het wereldkampioenschap twee keer achter elkaar in zijn voordeel besliste. In de etappe naar Alpe d'Huez kampte de Italiaan, die eerder een zware nederlaag leed in een tijdrit, met een grote inzinking en verloor la Grande Boucle. Hij werd maar derde. En dat terwijl hij het hele voorjaar als voorbereiding op de Franse ronde gebruikte.

De malaise rondom Bugno zorgde ervoor dat hij bij het WK in Benidorm door niemand als kanshebber was getipt. Verleden jaar in Stuttgart was hij nog favoriet nummer een. Hij was de onbetwiste kopman van de azzurri, die de wedstrijd in Duitsland geheel naar hun hand zetten. De verwachting was dat de squadra van de 71-jarige bondscoach Alfredo Martini in Spanje eenzelfde overwicht zou demonstreren. Met Moreno Argentin, Chiappucci, Maurizio Fondriest en andere sterren in de gelederen van de traditioneel sterke selectie sinds Martini in 1975 de baas mochten Francesco Moser (1977), Beppe Saronni ('82), Argentin ('86), Fondriest ('88) en Bugno de regenboogtrui aantrekken kon dat niet missen. De Italianen triomfeerden, mogen als beloning van hun bond 4,5 ton verdelen, maar van duidelijke suprematie was geen sprake.

In de finale waren de Italianen in de minderheid aan het front ten opzichte van de Fransen. Geleid door coach Bernard Hinault, in 1980 de laatste wereldkampioen van zijn land, was de Franse ploeg dicht bij hun zo vurig gewenste grote doel. Luc Leblanc, Thierry Claveyrolat, Gerard Rue en Jean-Francois Bernard werkten eendrachtig samen en hielden het tempo zo hoog dat ontsnappingspogingen onmogelijk waren. De bedoeling daarvan was duidelijk: Laurent Jalabert met zijn dodelijke eindschot moest de zaak op de streep afmaken. Maar in de laatste meters met een stijgingspercentage van vijf kwam Jalabert tekort tegen de door Giancarlo Perini gelanceerde Bugno. “Ik kon alleen voorblijven doordat ik met een supergrote versnelling reed: de twaalf.”, grijnsde Bugno na afloop.

In de spurt van de elitegroep werd Indurain zesde, tot grote teleurstelling van zijn duizenden aanwezige fans. De Spanjaard had gehoopt met een zege de prestaties van Eddy Merckx en Stephen Roche te evenaren. Zij werden in respectievelijk 1974 en 1987 wereldkampioen nadat ze in hetzelfde jaar de Giro en de Tour al op hun naam schreven. Indurain liet zijn gezicht zien in de voorlaatste van de twintig ronden van elk 21,8 kilometer. De Iberier, van nature een verdediger, koos voor een flitsende demarrage. Maar zijn oplettende concurrent Chiappucci reageerde attent, net als de opvallend sterke Tony Rominger en Jalabert. De vlucht duurde niet lang doordat enkele Belgen een goede achtervolging op touw zetten.

In hun gezelschap bevond zich Steven Rooks nog als enige Nederlander. De Noordhollander, vorig jaar tweede, eindigde als vijfde. “Ik was vast hoger gekomen”, zei hij later, “als mijn fiets in orde was geweest.” Rooks hoorde na 160 kilometer een spaak knakken. Een tweede breuk volgde veertig kilometer voor de meet. Een nieuw wiel durfde hij niet te vragen, “want door een stop zou ik kansloos worden”. “Het tempo lag daarvoor gewoon te hoog.” Rooks werd een eenling in de voorlaatste ronde toen Erik Breukink was opgebrand en uit het voorste gelid verdween. Gert-Jan Theunisse moest op ongeveer zestig kilometer voor de finish lossen, evenals Frans Maassen, Jos van Aert en Danny Nelissen. Bij de andere Nederlandse deelnemers was de kaars al in een veel eerder stadium gedoofd.

Rooks betreurde dat zeer. Hij was in grote vorm aan de start verschenen en had met hulp in de slotfase “misschien voor iets moois” kunnen zorgen. Keuzeheer Gerrie Knetemann: “Normaal gesproken hadden naast Breukink ook Theunisse en Eddy Bouwmans Steven in de finale kunnen assisteren. Maar wonderen bestaan niet. Die twee kwamen door blessures gewoon competitie tekort.” Knetemann geloofde in de slotfase niet meer in Rooks. “Hij hing nog maar net aan die groep. En tegen mij in de volgauto maakte hij een wegwerpgebaar. Zo van: ik zie het niet meer zitten.”

Rooks had een andere lezing. “Ik wilde dat de Kneet oprotte. Wat schoot ik op met zijn adviezen. Ik zat te sterven, dat is waar, maar wie in mijn buurt deed dat niet? Ik zag best nog perspectieven. Alleen in de sprint kwam ik er achter dat ik met mijn licht aanlopende wiel tekort kwam. Dat is dan geen schande, zeker niet tegen snelle mannen als Bugno en Jalabert, experts bij zo'n aankomst.”