Kracht schuilt in bizarre uitvergroting werkelijkheid

Het VPRO-programma Jiskefet heeft in haar korte bestaan een aantal onvergetelijke televisiemomenten voortgebracht. De perfecte Prins-Bernhard-imitatie, bij het knappend haardvuur pochend over zijn safari-avonturen. En de twee in trainingspakken gehulde domme krachten, die hun medeburgers terroriseren. Of de parodie op het Britse tv-verslag van cricket-kampioenschappen. Jiskefet werd een on-Hollandse, Monty-Python-achtige kwaliteit toegedicht.

De makers van het dit seizoen geprolongeerde tv-programma, gisteravond voor het eerst weer op de buis, moeten oppassen niet het slachtoffer te worden van hun succes. Want ook gisteren waren ze er weer: Prins Bernhard, de twee trainingspakken en de persiflage op het tv-verslag van een curieuze sport. Leuk, zeker; bij vlagen zelfs hilarisch. Het probleem echter van teren op oud succes is, zo leert ons de speelfilmindustrie, dat je het voorgaande altijd in kwaliteit, snelheid en spektakel moet overtreffen. In de aflevering van gisteren was dat niet het geval.

De onderdelen waarin nieuwe personages werden geïntroduceerd, vormden dan ook de meest geestige Jiskefet-items. De absurde dialoog bij voorbeeld tussen een ongelovige ondervrager en de man die uit plaatopnames van Lenny Bruce en Wim Sonneveld opmaakt dat de geesten van die komieken nog steeds rondwaren. De kracht van Jiskefet schuilt in een bizarre uitvergroting van de werkelijkheid, die vaak de werkelijkheid van een tv-programma blijkt te zijn. Mooi in dit genre was ook de "documentaire' over de man die lijdt aan te hard spreken. Na een langdurig zwijgen aan de eettafel opent hij het gesprek met de vraag: “HEB JE VANMIDDAG NOG FIJN GEWINKELD?”

In het meest komische item, De Dierenwinkel, kan een man 's nachts de slaap niet vatten door het kabaal van de in een dierenwinkel aangeschafte vogels. Hij brengt de vogels terug en ruilt ze voor een fret. “Aan een fret heeft nog geen enkele klant zich een buil gevallen”, beveelt de winkelier aan. Even later treft de kijker de man aan in een bosvijver, de fret als een bezetene achter zich aan trekkend, tot de dood van het dier erop volgt. Als de winkelier hier telefonisch van op de hoogte wordt gesteld, verzucht deze: “U had hem ook eerst moeten laten inweken, en dàn pas naar het diepere gedeelte.” Vervolgens spreekt de winkelier, als hij heeft opgehangen, op lijzige toon de woorden: “Je zal ze de kost moeten geven, die figuren die je alles moet uitleggen.”