Knappe auteursfilms tussen rel en roddel

VENETIË, 7 SEPT. De "Mostra dei Veleni', het Festival van het Vergif, heet dit 49ste Filmfestival van Venetië in de wandelgangen. Schandaaltjes en geruchten volgen elkaar snel op. Nog maar net waren de berichten over financieel wanbeleid en een onderzoek van het Ministerie van Financiën onder het tapijt geveegd door de festivaldirectie (zo'n onderzoek wordt wel uitgevoerd maar betreft het verleden en daar heeft het huidige bestuur niets mee te maken), of er ontspon zich een affaire rond de Carrière-prijzen. Reeds vorige week werd bekendgemaakt dat er dit jaar twee "Gouden Leeuwen voor een Carrière' werden vergeven, een aan Francis Coppola en een aan de komische acteur Paolo Villaggio. Die aankondiging was voorbarig, want die laatste Leeuw stond nog te bezien, liet de jury beledigd weten. Villaggio kreeg twee tegenstemmen en een onthouding en nu voelde men zich voor het blok gezet. Eigenlijk wilde men die bekroning weer intrekken, maar toen Filmfestival-directeur Pontecorvo dreigde op te stappen, werd in arren moede besloten tot een derde Gouden Leeuw voor een Carrière, te vergeven aan de actrice Jeanne Moreau.

Inmiddels is er echter een onenigheid losgebrand die alle voorgaande, van de halflege zaal op de openingsavond tot en met de Carrière-Leeuwen, reduceert tot vonkjes. De meeste Italiaanse kranten ruimden er een plaatsje op hun voorpagina's voor in: de Minister van Cultuur heeft persoonlijk verboden dat zaterdag aanstaande het slotgala, de "Nacht van de Leeuwen' zal worden georganiseerd op het Piazza San Marco. Het plaveisel van dit monument zou er te veel onder te lijden hebben en “we kunnen het belangrijkste plein van Venetië niet transformeren tot een televisiestudio”.

Vanzelfsprekend hebben Festival-directie en -bestuur zich heftig geweerd. Niet alleen is het nu wat laat om nog om te zien naar een andere lokatie, een gala op het Piazza San Marco is bovendien voor het Venetiaanse Filmfestival een belangrijke troef in de concurrentiestrijd met het Filmfestival van Cannes. De burgemeester van Venetië heeft aangekondigd uit te zullen zoeken onder wiens competentie het Piazza San Marco officieel valt. Is het de zijne, dan zal hij, tegen het besluit van de Minister in, alsnog toestemming geven.

Met al die rel en roddel zou je bijna vergeten waar het hier in Venetië om draait: om de vertoning van auteursfilms, en de afgelopen dagen waren er mooie voorbeelden te zien.

La Chasse aux Papillons van de in Frankrijk werkende Georgiër Otar Josseliani bijvoorbeeld. Op zijn bescheiden, noem het glunderende, manier verwerkte Josseliani opnieuw het thema dat al zijn films vervulde: het verglijden van het verleden in het heden, van het oude in het nieuwe, van wat verdwijnt in wat zich aankondigt. Zo ook ontrolt zich deze film, waarin wij twee grijze dames, de eigenares van een château op het Franse platteland en haar nicht, een jolige oude dag zien slijten. Josseliani bekijkt ze met kwieke, liefderijke blik. In zijn levendige, schilderkunstige beelden legt hij een geslaagd oog aan de dag voor hun charmante gebrek aan decorum, tegenover de maniertjes van het burgerlijk volk dat hen omringt. Aan het slot wonen er Japanse mensen in hun landhuis. Het lijkt of Josseliani - die we zelf even zien optreden als geüniformeerd huisspook - zich wenst dat zij net zo zullen worden als hun voorgangsters.

De Chinese regisseur Zhang Yimou, vorig jaar hier bekroond met een Zilveren Leeuw, heeft andermaal een bijzondere film gemaakt. Qiu Ju da guansi (Qiu Ju haalt haar recht) vertelt een minder gepassioneerd verhaal dan wij van Zhang gewend zijn. Het is een kleine anekdote met een bittere frappe en met de in zijn films gebruikelijke sterke vrouwelijke hoofdpersoon (opnieuw en weer fenomenaal gespeeld door Gong Li). Deze vrouw, ditmaal omringd door onveranderlijk vriendelijke mannelijke figuren, is koppig, zo koppig dat zij zich vergaloppeert in het halen van haar recht. Sterker dan het verhaal telt de vorm waarin Zhang het goot. Niet nadrukkelijk esthetisch is het dit keer, maar grotendeels documentair en verholen mooi: het leven op het platteland, een boerenvrouw hand in hand met haar schoonzus in de moderne stad, zij worden zo aangestipt dat zij eerst vertederen, dan amuseren en pas in derde instantie een schoonheidservaring bieden.

Knap is ook The Crying Game van de Ier Neil Jordan. Jordan smeedde opnieuw geweld, passie en liefde samen met identiteitsverwisselingen op het scherpst van de snede, en betoont zich de specialist in de thriller van de geest die hij al eerder bleek te zijn. In deze film komt een IRA-terrorist in aanraking met de geliefde van een soldaat, die door zijn toedoen de dood vond na een periode van gijzeling. Hij wordt verliefd en moet ontdekken dat die geliefde een geheim bewaart dat opweegt tegen het zijne.

Flagrante mislukkingen kent dit festival ook. De versie die Luis Puenzo maakte van Albert Camus' roman La Peste is een ouderwets aangepakt werkstuk. Inhoudelijk rammelt het, uiterlijk liep het uit de hand - vooral de acteurs die zich mochten uitleven in dramatisch bekken trekken zijn onuitstaanbaar. Die Abwesenheit van de auteur Peter Handke, die hiermee zijn tweede film maakte, biedt het tegendeel. Strak, recht, leeg zijn de beelden; kaal staan de acteurs in het kader, somber lepelen zij hun dialogen op. Het verbale geweld lijkt eerst diepzinnig maar mist een bodem, zodat het allengs spiritueel gedreutel wordt.

Maar gelukkig ging tot op vandaag nog elke dag de serie "Die zweite Heimat' voort, de dertien films waarin Edgar Reitz op zo'n sublieme wijze een generatie Duitse muziekstudenten portretteerde, die wij jeugd, idealen en onschuld zien verliezen tussen 1960 en 1970. Ik zal ze missen morgen, de personages, hun gesprekken, hun twijfels en hun gevoelens, en ook de skeletten in hun kast: “Dus jouw vader was ook een moordenaar?”. “Ja. Hij was bij de Luftwaffe. En hij was lief.”