Enkele reis Maastricht

Degenen die "Europa' ver weg willen houden van de stemmingswisselingen van de kiezers, zullen deze dagen de Franse politiek met angst en beven volgen. In de onzekere uitslag van het referendum vinden ze vast een bevestiging van hun oordeel. Toch is het verdrag van Maastricht in Frankrijk voorwerp van publieke meningsvorming geworden en dat weegt op tegen de eventuele risico's van een volksraadpleging. Sterker nog, wie de uitgesponnen polemiek over Maastricht in Frankrijk volgt, kan niet anders dan met schaamte naar de ongemotiveerde eensgezindheid in eigen land kijken.

Overigens begrijpt men de huivering voor een electorale krachtmeting over Europa nu beter, want in de Franse verkiezingsstrijd is vooral de verrassend zwakke argumentatie van de voorstanders van het verdrag geopenbaard. Wat overheerst, is een zo zwart mogelijk beeld van de "dramatische gevolgen' van een verwerping van het verdrag. Van een monetaire collaps tot een overheersing door Duitsland, geen enkel angstvisioen gaat te ver in de campagne tegen het "nee'.

Toegegeven, de retoriek van de bonte verzameling neezeggers is meestal ook niet fijntjes, maar wat opvalt is de defensieve houding ten opzichte van deze critici. Machteloze diskwalificaties van een mogelijk "nee' als "gekte', "dronkenschap' of "zelfmoord' wijzen daarop.

Gezegd wordt dat de zwakte van Mitterrand en zijn regering op een toevallige manier de Europese eenwording bedreigt. Dat is niet waar. Het electorale onbehagen over Maastricht en de weerzin tegen een politieke elite, van links tot rechts, die zijn lot daaraan verbonden heeft, gaan hand in hand. Dat blijkt ook buiten Frankrijk: in Denemarken werden vrijwel alle politieke voorlieden weggestemd, die ook niet veel beters wisten te verzinnen dan dreigen met chaos, en elders zijn de kiezers niet zo heel veel toegeeflijker.

De afkeer van de gevestigde politieke partijen heeft alles te maken met een gevoel van onzekerheid en bedreiging, dat aan de machtige buitenwereld wordt toegeschreven. Er bestaat een algemene twijfel of Frankrijk de realiteiten van het nieuwe Europa wel aankan: de concurrentie van de gemeenschappelijke markt, het internationale kapitaal, de immigranten, de omringende naties, de bureaucratie in Brussel enzovoorts.

Nationalisme en populisme zijn natuurlijke verwanten op het politieke toneel, zeker in Frankrijk. Juist de eensgezindheid van de Franse politieke "klasse' van Chirac tot Rocard geeft voeding aan dit denkpatroon: het is "wij' tegen "zij'. De arrogantie van de jazeggers doet voorzover nodig de rest. Bijvoorbeeld Delors die meent dat de tegenstanders van het verdrag het standpunt moeten wijzigen of onverwijld de politiek dienen te verlaten. De Europese Gemeenschap wordt zo tot de verzinnebeelding van een technocratische elite die over de hoofden van het "volk' regeert.

Het is "nu of nooit', een derde weg van heronderhandelen over de verdragstekst bestaat niet, zeggen de voorstanders. Van een moeizaam compromis wordt een fait accompli gemaakt. Ook in de toekomst zal op deze manier Europese politiek worden bedreven via compromissen tussen regeringen, waarop democratische controle weinig meer dan een knieval achteraf kan zijn. Dat kan men betreuren, het is voorlopig wel de enige manier waarop in het Europa van de concurrende naties zaken worden gedaan. Daarin hebben de jazeggers gelijk, alleen het riekt naar vervelende chantage en dat roept weerzin op.

Het is "nu of nooit' weten de voorstanders, een tweede kans krijgen we niet meer om de Europese eenwording vooruit te brengen. Het voornaamste argument voor deze deadline is gelegen in het opkomende nationalisme, vooral in Oost-Europa en Duitsland. Een verwerping van Maastricht betekent dat Duitsland zich naar het oosten zal keren en vrij spel krijgt in Europa. Rocard aarzelt niet om over een "politiek München' te spreken in geval van een verwerping, oud-premier Barre voorspelt een breuk in de "Frans-Duitse vriendschap', een enkele al te ijverige minister ziet nu al de "oude demonen' herleven bij de Oosterburen, enzovoorts.

Het kost de filosoof Alain Finkelkraut geen enkele moeite om deze redenering om te keren en voor Maastricht te pleiten als middel om het Franse gevaar in te dammen: “ik houd van Frankrijk, ik houd van mijn vaderland, maar Frankrijk is bezweken voor de boze geest van het bedrog en het Franse gevaar is tot nader order veel reëler dan het Duitse gevaar' (Libération, 1 september 1992).

Ook wie alle overdrijving meerekent, moet zich afvragen hoe stabiel een integratie is die voortbouwt op het wantrouwen van allen tegen allen? Hoe kan men geloven in de kansen van Europa, als men tegelijk de angst aanwakkert tegen de samenstellende delen van datzelfde Europa - de bestaande nationale staten? Daarover hoort men de Franse jazeggers niet, want hun vrees voor de buren is helaas meer dan alleen kiezersbedrog.

Mocht het waar zijn dat het nationale gevoel en het politieke onbehagen meer en meer samenvloeien, dan is het eigenlijk al te laat voor grootse gebaren à la Maastricht. Want het verdrag is vooral een belofte om in politieke en monetaire zaken verdergaande samenwerking te realiseren gedurende het komende decennium. Het "nu of nooit' suggereert dat deze afspraken onomkeerbaar zijn, maar dat is een slag in de lucht. Als het politieke en economische tij echt tegenzit, dan zal deze belofte roemloos te onder gaan, met of zonder lakzegel.

Er is nog iets anders aan de hand met dat "nu of nooit'. Door dit wantrouwen tegen andere naties is een wantrouwen tegen komende generaties gemengd. De huidige Duitse politici, die zich nog gebonden weten aan de oorlogsschuld, willen Europa, maar wat te zeggen van hun opvolgers? Zijn die nog bereid om bij wijze van herstelbetaling de D-Mark op het altaar van de monetaire unie te offeren? Zijn die sowieso nog bereid tot onevenredige concessies, zoals het verdrag van Maastricht?

In deze zin is het "nu of nooit' voor een generatie politici die de jaren tachtig heeft gedomineerd en nu langzaam aan haar einde komt. Met Maastricht willen ze over hun graf regeren en dat geeft te denken, hoe men verder ook de geest van het verdrag beoordeelt. Maastricht is het werkstuk van misschien wel de laatste generatie Europese politici voor wie de Tweede Wereldoorlog een doorleefde referentie is. Voor hen is de weg van "München 1938' naar "Maastricht 1991' een enkele reis, dat deze ook langs de slagvelden van Sarajevo en Rostock zou voeren was niet meegerekend.

Voor deze generatie is het inderdaad een laatste kans en dat schreeuwen ze uit, zonder blijkbaar te beseffen welke dubbelzinnige boodschap van dit wervend bedoelde dreigement uitgaat. Het verdrag is ook na ratificatie geen onomkeerbare stap in de richting van eenwording. De geschiedenis zal leren dat het compromis van Maastricht een belofte is die hooguit gedeeltelijk zal worden nagekomen in een tijd die zwanger is van publiek onbehagen en nationale hartstocht.