CDA-manager met gebrek aan politiek instinct; Profiel van WIM VAN VELZEN

Voorzitter Wim van Velzen van het CDA veroorzaakte vorige week opschudding door de "C' van zijn partij ter discussie te stellen. Tot ongenoegen van zijn partijgenoten. Het toont dat de "politiek manager', wiens organisatorische kwaliteiten alom worden geprezen, beter thuis is in de bestuurlijke wereld dan in de politiek. “Wim mist Fingerspitzengefühl.”

In het CDA-huis aan de Dr. Kuyperstraat waakt voorzitter Wim van Velzen over zijn partij en haar "C'. Zijn werkkamer is functioneel ingericht en geordend, bijna steriel. De "politieke manager' van het CDA heeft een blik die op het eerste gezicht eeuwige blijdschap lijkt uit te stralen. Maar zijn houding is afstandelijker, voorzichtiger. Hij is, zo zeggen zijn kennissen, een bewogen, ambitieuze en - aan de top van het CDA-apparaat - ook eenzame man. Van Velzen is een keiharde werker, een man met enorme Ausdauer. Onvermoeibaar reist hij door het land, naar de afdelingen en Kamerkringen van het CDA. Hij praat met CDA-bestuurders, zwengelt discussies aan, brengt mensen met elkaar in contact en creëert de juiste kennissenkringen. “Hij is een echte partij-opbouwer”, zegt P. Schriek, de burgemeester van Sint-Oedenrode die Van Velzen meemaakte in het Brabantse CDA. “Hij gaat erg systematisch te werk, sluit netwerken op elkaar aan en weet van één en één drie te maken”.

Maar Van Velzen is ook een "Pietje Precies', een "gecalviniseerde katholiek' die de punten en komma's op de juiste plaats wil zetten en die met innerlijke gedrevenheid de beginselen in harmonie wil brengen met de werkelijkheid. Hij hamert regelmatig op de uitgangspunten van het CDA, maar heeft daarbij niet altijd een gelukkige hand. “Wim mist Fingerspitzengefühl”, weet menigeen in de partij te vertellen. Partijbestuurders kennen het manco van hun ijverige voorzitter: zijn opmerkingen hebben soms hetzelfde effect als het uitschudden van een dekbed in een gezelschap asmatici. “Het CDA is geen christelijke partij”, zo zei hij ter verklaring van de komst van de hindoe D. Ramlal in de Kamerfractie van het CDA. Voor de bijbelvaste CDA-leden klonk het als een vloek in de oren, alsof ze aan de Kuyperstraat de haan drie keer hoorden kraaien. “Van Velzen blinkt niet uit door timing”, zegt een Kamerlid.

Van Velzen probeerde daarop de misslag te repareren. Tijdens de wekelijkse vergadering van de CDA-fractie vroeg hij het woord en legde uit dat het CDA “niet christelijk is in enge zin”. Dat zijn immers de kleine getuigende SGP, GPV en RPF die elke gelegenheid aangrijpen om te laten zien hoe de "C' van het CDA is verkreukeld onder het pluche van de macht. Van Velzen probeerde de bijbelvasten in het CDA gerust te stellen met een brief aan de regionale kaders in de kringen van de CDA-fractie. “Het CDA is niet een confessionele partij”, zo verklaarde Van Velzen vanuit het CDA-huis. Het CDA is volgens hem “een partij gebaseerd op een politieke overtuiging waarvan de toetsing aan de Heilige Schrift het hart vormt”. Even later zei premier Lubbers het weer anders door het CDA “moeiteloos als christelijke partij” te omschrijven.

CDA-politici zijn ongelukkig met de “oude discussie die Van Velzen heeft opgerakeld” met zijn uitspraak. Het CDA bindt veel kiezers dankzij de "C', maar ook ondanks de "C'. De partij die is voortgekomen uit een fusie van de drie confessionele partijen ARP, KVP en CHU heeft als "Middenpartij' een extra dimensie: ook kiezers die niet warmlopen voor de "C' voelen zich wél thuis in het politieke centrum dat het CDA zegt te vertegenwoordigen. Dus ook niet-christelijke etnische minderheden zijn welkom in de "Middenpartij CDA'. Met een debat over de “C-gehalte” maakt het CDA zich echter kwetsbaar. Kamerlid H. Hillen: “Die discussie is pas over tien jaar aan de orde als andere levensbeschouwelijke groepen zoals de islamieten zich politiek hebben georganiseerd. Het CDA moet dan een keuze maken of het zich ook op die groepen richt of dat het zich traditioneel-westers blijft ontwikkelen”.

Tussen de CDA-voorzitter en de Kamerfractie bestaat zoals in bijna elke partij een "natuurlijke spanning'. De voorzitter is de eerste man van het apparaat, hij heeft zeer grote invloed bij de opstelling van de kandidaatlijsten voor de verkiezingen. Kamerleden wantrouwen hun voorzitter daarom bijna per definitie en reageren eigen frustraties en gekwetste ambities op hem af. Maar Van Velzen heeft die spanning - zo vinden veel CDA-Kamerleden - "onnodig' opgevoerd door een pleidooi te houden voor een omstreden voorstel van een partijcommissie: na drie termijnen moeten Kamerleden uit het parlement. Van Velzen wordt “gebrek aan tact” verweten, zijn rol in de wekelijkse fractievergadering als “niet prominent” afgedaan. In de CDA-trojka met premier Lubbers en fractieleider Brinkman is de positie van Van Velzen “het minst geprofileerd”. Hij oefent het liefst macht uit achter de coulissen.

CDA-Kamerleden roemen Van Velzen om zijn organisatorische vermogen, niet om zijn politieke vakwerk. “Hij is een enorm effectief bestuurder”, zegt het Brabantse Kamerlid G. Leers die Van Velzen kent uit het CDA-Brabant. Van Velzen werd in 1943 in Rotterdam geboren maar Brabant werd de bakermat van zijn politieke carrière. Na het behalen van zijn onderwijsakte in 1965 verliet Van Velzen de Maasstad, studeerde in 1972 af als pedagoog aan de Universiteit van Nijmegen en werd beleidsmedewerker van het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC) in Den Bosch. De jonge pedagoog stortte zich op ontwikkeling en planning. “Hij heeft de interne reorganisaties voorbereid”, zegt KPC-directeur G. Jansen. “En dat verliep uitstekend. Hij ging planmatig te werk, vanuit een totaalconcept”. Vanaf 1980 combineerde Van Velzen zijn werk bij het KPC met een functie op het ministerie van Onderwijs. Hij werd politiek adviseur van staatssecretaris A. Hermes en bereidde de wet op de onderwijsverzorging voor.

In hetzelfde jaar werd hij lid van het CDA; van de "oude KVP' is Van Velzen nooit lid geweest. Hij maakte indruk op het ministerie en het lukte hem om de wet op de onderwijsverzorging door de ambtelijke molens en het netwerk van onderwijsorganisaties te loodsen. Van Velzen werd vervolgens adviseur van Hermes' opvolger G. van Leijenhorst en verliet in 1985 definitief het KPC om plaatsvervangend directeur voortgezet onderwijs op het ministerie te worden. “Van Velzen paste uitstekend op het departement”, zegt S. van Eijndhoven, tot voor kort directeur-generaal basis- en voortgezet onderwijs. “Hij past beter in zo'n grote bestuurlijke constellatie dan in de politiek. Daar heeft hij nu al diverse uitglijers gemaakt. Die politiek is zijn habitus niet. Grote zalen toespreken kan hij niet. Maar met een klein groepje mensen een probleem analyseren, daar is hij heel goed in”.

Ook in het CDA-Brabant steeg inmiddels de ster van Van Velzen. Het CDA-bestuur moest worden vernieuwd. Er zat sleet op de oude KVP-garnituur: een wisseling van de wacht was nodig om Schwung in het CDA-Brabant te brengen. De politica M. Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn schoof het rechtstreekse CDA-lid Van Velzen naar voren voor een bestuursfunctie. “Een energieke, dynamische man”, zo werd hij gezien. P. Schriek, toen nog wethouder van Oosterhout, zat in de sollicitatiecommissie. “Wim was een volstrekte onbekende in Brabant. Hij had geen KVP-verleden en moest opboksen tegen de oude garde”. Toch viel de keuze op Van Velzen. “Hij had voldoende intellectuele bagage en contacten in Den Haag”, zegt Schriek. “Van Velzen had wel één nadeel: hij had geen roots in Brabant, hij werd gezien als Rotterdammer”. Opnieuw deed Van Velzen beroep op zijn organisatorische talenten en zette netwerken op. Leers werd secretaris. “Van Velzen bracht mensen uit diverse gremia bijeen, en zette bestuurders uit de vakbeweging aan één tafel met Rabo-topman Wijffels. Hij liet adviesnota's opstellen en wilde een visie op Brabant ontwikkelen”.

Van Velzen werd in Brabant een gewaardeerd voorzitter, maar geen populaire politicus. Hij miste het "natuurlijke aureool' van Brabantse politici zoals Van Agt, Steenkamp of Braks: er sprong geen vonk over. Schriek: “De CDA-achterban wist dat Van Agt op de Heilige Landstichting woonde. Maar wie verbond Van Velzen met Waalwijk? Hij was hij de voorzitter maar werd niet ònze voorzitter”.

Het manco van de beperkte uitstraling was voor Van Velzen geen belemmering om in 1986 een gooi te doen naar het voorzitterschap van het CDA. Schriek, die tevens lid was van het partijbestuur, schoof hem naar voren. “Hij was het type voorzitter dat het CDA nodig had, een organisator.” De post was vacant geworden omdat CDA-voorzitter Bukman minister voor ontwikkelingssamenwerking werd in het kabinet Lubbers II. Zes jaar lang (1980-1986) had hij het CDA bestuurd met strakke hand. Bukman was een Binnenhof-watcher, een voorzitter die de fractie scherp in de gaten hield en de knoet hanteerde om de dissidenten in het gareel te houden. Anders dan Van Velzen had Bukman een sterke positie in de CDA-top: Lubbers had hem nodig om zijn kabinet in het zadel te houden. Bukman stelde het CDA op in slagorde en schakelde de dissidenten als politieke factie uit. Het duo Scholten-Dijkman verliet de partij, anderen werden burgemeester of kwamen in het kabinet.

In 1986 was de rust in het CDA hersteld. Van Velzen paste in het "nieuwe tijdsbeeld'. Een commissie onder voorzitterschap van P. Steenkamp schoof de Brabantse CDA-voorzitter na enkele maanden als enige kandidaat naar voren. Van Velzen had “weinig politiek profiel” en was maar kort lid van het CDA. De "CHU-bloedgroep' twijfelde nog even aan de kandidatuur van Van Velzen, maar commissielid Baron Van Verschuer werd overtuigd door een "bloedgroepgenoot': W. Deetman, minister van onderwijs, het departement waar Van Velzen werkte.

Als CDA-voorzitter zette Van Velzen zijn kaarten op het organisatorische werk. Hij werd de architect van het Kader- en Vormingswerk om CDA-bestuurders te scholen. Het human resources management is vooral zijn werk. Ook werd hij de organisator van de "politieke discussie' en stelde partijcommissies in die rapporten over politieke en sociaal-economische thema's schrijven.

Maar de "functionele aanpak' heeft een keerzijde. Bij de actieve achterban is het beeld ontstaan van een “koele kikker”, temeer nadat Van Velzen enige jaren geleden de mogelijkheden onderzocht om het Kuyperhuis te verkopen. De exploitatie was te duur. De monumentale trappen en plafonds hoefden voor hem niet, een “praktisch kantoor” leek efficiënter. De achterban schrok op, het pand waar Kuyper ooit werkte had historische waarde. Het CDA zal het pand nu verkopen aan de aannemer om het na de verbouwing te leasen.

Van Velzen worstelt met dat kille imago. De bijbelvaste vleugel in het CDA vreest dat de partij een platform wordt voor “baantjesjagers en gladde managers”, terwijl de jongerenorganisatie CDJA Van Velzen “een gebrek aan bevlogenheid” verwijt. Op een partijraad kwam het CDJA vorig jaar in verzet tegen een poging om de begroting van ontwikkelingshulp aan te tasten. Van Velzens reactie toonde zijn beperkingen voor de grote zaal: “Beste mensen, het is allemaal ingewikkeld. U begrijpt het niet zo goed”.