Wijsgerig staat zij achter de pannen

"Vóór het huwelijk is de Nederlandse vrouw aantrekkelijk, daarna treedt al snel het verval in. Bij de minste kou heeft zij behoefte aan een stoofje,' aldus de notitie van een buitenlander. Zevende en laatste deel van een serie impressies van Nederland.

Soms kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze een teleurstellende ervaring achter de rug hadden, een blauwtje hadden gelopen of domweg hun erotische verlangens niet vervuld zagen, zo afwijzend schreven sommige buitenlandse reizigers over de Nederlandse vrouw. Te dikke, Rubensachtige vrouwen met de uitstraling van "georganiseerde boter', onelegant in hun houding, stijf in hun tred, een kleur huid die nog het meest op die van vis lijkt, levendig noch vrolijk en bovendien in het bezit van een stel abominabele tanden. Je geneert je bijna als je hun commentaren leest, zo grof gaan de mannelijke "deskundigen' te keer (vrouwelijke reizigers, als ze er al waren, vertrouwden hun ervaringen zelden of nooit aan het papier toe). Neem de Oostenrijkse dichter Nikolaus Lenau (pseudoniem voor N.F. von Niembsch), die hier begin vorige eeuw was en fijntjes schreef: ""Holland heeft zeer schone meisjes en zeer schone koeien, wat overigens vrijwel op hetzelfde neerkomt.''

Het lijkt er verdacht veel op dat de Duitstalige reizigers nog het meest gefrustreerd zijn over hun Nederlandse verblijf. Zo was August Friedrich Bonen bijvoorbeeld ontzet over de vrijpostigheid van de Nederlandse vrouw ("Der Vereinigten Niederlanden Staat', 1671). Hij kon zich maar moeilijk voorstellen hoe wij het hier uithielden naast vrouwen, die weliswaar een gezonde teint en een goed figuur hadden, maar zich weinig aan hun mannen gelegen lieten liggen. In tegenstelling tot Franse vrouwen, observeerde hij, laten ze ""graag rok en onderkleding om zich heen fladderen, ja dulden zelden schoenen aan de voeten, want hun klepperende pantoffels bevallen hun beter.'' Dat was volgens hem dan ook ""één van de voornaamste oorzaken waardoor zij aan vet en vlees toenemen, waaraan het hen juist ontbreekt die met insnoeren en inpersen de groei trachten te verhinderen''.

Nee, de Nederlandse vrouw kende haar grenzen niet, en wat nog erger was: de mannen lieten het zich allemaal maar aanleunen. ""De mannen verdragen zo'n heerschappij van het zwakke geslacht niet alleen geduldig, maar beroemen zich er ook nog op en rekenen het zich tot eer. Wie zijn eigen vrouw met vuisten tot de verschuldigde gehoorzaamheid tracht te brengen, wordt voor onbehoorlijk gehouden. Zodoende wordt een deel van de vrouwen afschuwelijk heerszuchtig, eigenzinnig en weerbarstig tegenover hun meester, zelfs zo dat alleen al het aanzien voor rechtschapen mensen bijna ondraaglijk is.'' Hij beschouwde de Nederlandse vrouw als een meesteres, in tegenstelling tot Engeland waar de vrouwen koninginnen, tot Frankrijk waar ze prinsessen, tot Italië waar ze slavinnen, tot Polen waar ze gezellinnen en tot Duitsland waar ze dienaressen van hun mannen zijn. En dat laatste had hij waarschijnlijk liever ook in Nederland gezien.

Het was diezelfde vrijpostigheid, die de Italiaan Ludovico Guicciardini daarentegen nauwelijks stoorde ("Descrittione di tutti i Paesi Bassi', 1567). In zijn ogen gingen jongen en meisje, man en vrouw tamelijk vrij met elkaar om, maar bleef de vrouw desondanks eerzaam en deugdzaam. Niet alleen beheersten en bestierden ze de huishouding, maar ook reisden ze zonder moeite door het land om hun aandeel te nemen in de koophandel, zo behendig en vlijtig, dat, volgens Guicciardini, in Holland en Zeeland de mannen alles aan de vrouwen overlaten. De Nederlandse vrouw deed niet onder voor de man als het ging om vaardigheid in handel, ze was behendig en doortastend. Dat had echter een groot nadeel, vond hij. Want vanwege de natuurlijke neiging van de vrouw om de baas te spelen, zou ze zich te zeer ontpoppen als een heerseres over de man.

Opvallend genoeg waren het juist de Franse reizigers die een zwak hadden voor de Nederlandse vrouw. Uitspraken als: ""Ik geloof niet dat men ergens op de rest van deze aarde zulke mooie vrouwen vindt'', en ""de Hollandse vrouwen verdienen het om bemind te worden'', liegen er niet om. Maar er was één beperking, aldus de Fransman Pilati de Tassulo ("Lettres sur la Hollande', 1700). Er was geen land waar leeftijd en huwelijk bij de vrouwen zoveel veranderingen teweegbrachten. Vóór het huwelijk waren ze aantrekkelijk, maar daarna trad het verval in. Dan kregen zij bij de minste kou al een onbedwingbare behoefte aan een stoofje, waar ze geen dag meer zonder konden. ""De daaruit opstijgende kwade dampen hebben een vervloekt effect dat ik elke keer ondervind als ik een kamer binnenkom waar vrouwen met stoven zitten. Dan word ik duizelig, mijn tong trekt samen, mijn mond verdroogt, mijn gedachten raken in de war en ik kan minder goed spreken. De inwoners van dit land zijn er aan gewend, maar deze gewoonte kost hen alles wat ik de eer heb gehad u hierboven te schilderen.''

Wat hij schilderde was een beeld van Hollandse meisjes, met een roze tint op een blanke ondergrond, lichte haren, een charmant figuur, een eerlijke taille, een eenvoudige tooi en zedige kleding. Maar dat was snel afgelopen als het meisje trouwde. Dan werd ze slechts een deugdzame, toegewijde huisvrouw, met een groot gezag in het gezin. ""Nee, nooit zal Holland door de vrouwen te gronde gaan'', voorspelde hij.

Deugdzame, toegewijde, maar vooral ook - en daar verbazen de Fransen zich over - trouwe vrouwen. Sommigen, zoals Aubert de la Chenaye de Bois, weten dat ook te waarderen (1750). De eenvoud streelde hem. Geen tijdverspilling voor de kapspiegel, geen kring van Adonissen om hen heen, maar onschuldige partijtjes waaruit geen liefdesavonturen voortkomen. Nederland is ""een slecht land voor nietsnutten, die zich beminnelijk willen maken. Men houdt niet van gens posés of van vogeltjes, die van de ene schone naar de andere fladderen, zoals bij u madame'', zo schreef hij aan een Parijse vriendin, ""waar zij niets anders te doen hebben. In Holland zal het voor hen een saaie boel zijn. Hier schitteren de vrouwen niet minder door edelstenen dan door eigen aantrekkelijkheden. Er wordt wel Parijs kapsel gedragen, maar men zit niet eeuwig op het nieuwste en telkens weer wat anders te studeren. De natuur zelf doet hier al genoeg. Ik kan u verzekeren dat er hier geen vrouwen en meisjes zijn, die u evenaren; zij hebben geen behoefte, zoals uw provincialen, aan, wat gij noemt, een vernis de Paris om hen in de coquetterie te vervolmaken. Maar gij zult mij wellicht vragen, of deze vrouwen, die ik in Holland zo knap welgevormd en vrij vind, de geest en de levendigheid bezitten, die men aan de Françaises toekent. Gelooft niet, wat fabelende historieschrijvers daaromtrent gezegd hebben en trouweloze reizigers, die steeds vooringenomen zijn voor hun eigen land en anderen geen recht laten wedervaren. Gij weet dat geest en levendigheid niet afhangen van de plaats die wij bewonen, men krijgt het bij de geboorte mee. Als het karakter der Hollanders rustig is, dan geldt dat alleen voor hun zaken; in hun pleziertjes tonen zij evenveel levendigheid.''

Maar zou dat ook voor de liefde gelden? Volgens Sir William Temple, ambassadeur in de Lage Landen ("Observations upon the United Provinces', 1670), is de Nederlandse man daar niet warm genoeg voor. Hij hoorde wel eens Nederlandse mannen praten over de liefde, schreef hij, ""maar meer als iets waarvan zij hebben gehoord dan als iets dat zij hebben gevoeld, en meer als een onderwerp van gesprek dat bij hen past dan als iets dat hen werkelijk raakt.'' Hij zou enkele mannen gekend hebben die hun rol als minnaar niet onverdienstelijk speelden, maar hij kreeg niet de indruk dat het liefde "in hun hart' was. En de vrouwen waren daar volgens hem ook niet in geïnteresseerd. Ze voelden zich niet op hun gemak bij hartstochtelijke minnaars, maar wel bij innemende vriendelijke vrijers. En dat zouden de Nederlandse mannen zeker zijn geweest.

Temple heeft ook een verklaring bij de hand. ""Misschien komt dit doordat zij zozeer op hun vrijheid gesteld zijn, dat zij het niet kunnen verdragen onderworpen te zijn aan een matresse, zoals zij ook geen meester kunnen verdragen''. Zoals vaker verklaarde hij het gebrek aan verfijnde hartstochten uit de dompigheid van de lucht. En niet te vergeten uit de zakelijke beslommeringen, ""want niets is zo'n doodsvijand van de liefde, die geen mededinger verdraagt, dan enige neiging van de gedachten in een andere richting.'' Aan die zaken was ook het gedrag van vrouwen onderhevig, want zij dragen op z'n minst de zorg voor alle huishoudelijke zaken. We waren blijkbaar te druk om nog tijd te hebben voor de liefde. Nederland was geen land waarbij een vreemdeling het al op voorhand op zijn heupen kreeg. En om in de sfeer te blijven: Temple beweerde dat Holland beter is als minnares dan als echtgenote, waarmee hij maar wilde zeggen dat je hier beter niet kan wonen, maar doorheen moet reizen.

Het nadeel van menige observatie is dat ze meestal gedaan werden door mannen uit de gegoede klasse, die hier op hun beurt soortgenoten ontmoetten. Dat gold ook voor de Fransman Henry Asselin ("La Hollande dans le monde', 1921) toen hij Nederland bezocht. ""Schijnbaar is ze slechts een brave huisvrouw, sterk aan haar huishouding en haar keuken verknocht, in werkelijkheid evenwel is ze zeer ontwikkeld, zeer gevoelig voor de zaken die de geest betreffen en met een grote belangstelling voor hetgeen het menselijk verstand tot stand heeft gebracht. Zij leest veel en dat in minstens vier talen; zij is op de hoogte van de wijsgerige en wetenschappelijke stromingen zo goed als van de literatuur. Zij bezit een uitgebreide kennis, waarop ze zich allerminst laat voorstaan; want zij is zeer eenvoudig en het tegenovergestelde van pedant.'' Maar ook Asselin signaleerde dat als de Nederlandse vrouw eenmaal gehuwd is het grotendeels met aandacht voor haar man gedaan is. Dan staan de huishouding en de kinderen centraal.

Maar is er dan niets veranderd in de laatste decennia? Nee, van boekhouders en krentenwegers kunnen we dat niet verwachten, als we Rentes de Carvalho mogen geloven ("Waar die andere God woont', 1982). Hij signaleert van alles behalve verborgen hartstochten. ""Wat een kilte in relaties! Wanneer ik een zwangere vrouw zie lopen kan ik niet nalaten me af te vragen of de geboorte niet "gepland' is in december, zodat de ouders de belastingaftrek van het hele jaar kunnen opstrijken. Want zulke dingen komen voor, en het is waarschijnlijker dat de gesprekken van het echtpaar gaan over zaken als voordeel, sparen, zuinigheid, dan over sentimentele of frivole onderwerpen.

""De vader ernstig, serieus, werkt zich kapot voor zijn gezin, brengt offers, ontzegt zich genoegens, beult zich af op zijn werk. De moeder poetst, boent, zuigt, wrijft, wast en houdt de touwtjes van de portemonnee stevig in handen. (...) In haar vindt het gezin zijn motor èn ruggesteun, aangezien de vader, door uitputting, gemakzucht of temperament, op haar veel van de verantwoordelijkheden afschuift die eigenlijk de zijne waren. Men ziet dan ook dat in kritieke situaties zij de snelste is in het nemen van beslissingen, beter opgewassen tegen de omstandigheden, en in elk opzicht een capabeler indruk maakt.''

Geen meeslepende, hartstochtelijke gevoelens, geen grootse affaires, nee, nuchtere, alledaagse pleziertjes. Geen wonder dat Asselin Nederland "Het land van het kleine geluk' noemde.