Tuinbezoek

Er zijn vermoedelijk meer schitterende tuinen in Norfolk; degene die ik deze zomer bezocht was er niet een van. Het was in het stadje Wisbech, een plaatsje dat terecht beschreven kan worden als het achtereind van de wereld. De vooruitgang is aan Wisbech voorbijgegaan, er alleen de overblijfselen achterlatend van een vergane glorie; het was eens een rijke kustplaats en handelsstad, met grandioze huizen langs een rivier, de Nene, een brede marktstraat en een befaamde Grammar School. De zee trok zich terug, de school is nog steeds beroemd, maar de rest is in verval.

De meeste winkels in de hoofdstraat zijn dichtgetimmerd, als bij een wervelstorm; de reden hiervoor stond een eind verderop in de vorm van een van die afgrijselijke shopping precincts waar de Engelsen het geheim van hebben. Zo'n vesting met de winkels aan de binnenkant in plaats van aan de straat, alles in rode baksteen en met folkloristische uithangborden, vol dode hoeken waar afval in kan waaien en winkelinterieurs waar alleen een doorgewinterde masochist niet voor op de vlucht zou gaan. Ook de mensen die deze godverlaten plek frequenteerden hadden iets onappetijtelijks: schrale, soms zelfs ondervoed uitziende mensen, met ogen die een andere werkelijkheid leken te zien dan die waarin de lege chipszakjes rondfladderden. ""Ze hebben hier allemaal zes tenen'', fluisterde de vriendin met wie ik daar was: '"Fenlands, you know.''

We waren gekomen, met drie kinderen, om Peckover House te bezichtigen, een vroeg achttiende-eeuws herenhuis op wat eens een riante stand moest zijn geweest aan de Nene. De omgeving was vervallen maar het huis zelf was prachtig, tenminste aan de buitenkant; het bleek 's maandags gesloten te zijn maar we konden wel de tuin in. Bij de ingang had de National Trust een zogenoemde Honesty Box neergezet voor het toegangsgeld, 1,50 pond voor volwassenen en 1 pond voor kinderen. Nadat de vijf 1-pondsmunten die we bij ons hadden in de gleuf waren verdwenen keken we naar het kleinste kind, drie jaar oud en een toonbeeld van deugdzaamheid: die kon toch onmogelijk een pond kosten? Hij keek ons vol vertrouwen aan, onbewust van het feit dat hij aldus werd gewogen en te licht bevonden, en huppelde wederrechtelijk achter ons aan de tuin in.

De verwachtingen bij een tuinbezichtiging zijn altijd hooggespannen: waarom zou je anders komen kijken? Dat ogenblik waarop je de laatste hoek om komt en zult gaan zien wat er achter de muur of de heg ligt, is bijna ondragelijk. In dit geval hadden we er misschien beter aan gedaan om onze verwachtingen ongeschonden te laten: het eerste waar het oog op viel was een authentiek Victoriaans heesterperk plus croquetveldje. Niets kon meer uit de toon vallen bij het huis: het beloofde geometrische perken en achttiende-eeuwse planten; in werkelijkheid stonden er wat mottige coniferen, een apepuzzel (Araucaria araucana) en een aantal bontbladige aucuba's.

Het was een beetje als iemand tegenkomen die dezelfde jurk aan heeft en ontdekken hoe lelijk die is. Wij hebben ook aucuba's in de tuin en tot nu toe heb ik altijd dapper aan hun zijde gestaan en ze verdedigd: groeien ze niet goed en blaken ze niet van gezondheid? Maar door ze hier te zien vielen mij de schellen van de ogen: de aucuba is eenvoudig een onding.

Mijn herinnering aan de verdere onderdelen van de tuin in Wisbech is wat mistig; ik werd te veel in beslag genomen door de vraag wat er voor onze aucuba's in de plaats moest komen. Zoals iemand die bezig is een roman te schrijven alle andere romans met de zijne vergelijkt, zo is een tuinbezoeker niet in staat zich van het beeld van zijn of haar eigen tuin te ontdoen. Er waren twee tegenover elkaar liggende borders met aan het eind een klein paviljoen en een vijver voor de illegale bezoeker om grind in te gooien (puur verlies voor de Trust, het zal ze ten minste een pond kosten om het er weer uit te vissen), een rozentuin, een kleine houten folly om spookverhalen in te vertellen en een paar kassen. We dwaalden wat doelloos rond; het bezoeken van tuinen met kleine kinderen is een van de beste manieren om doordrongen te raken van de futiliteit van het menselijk bestaan. Ze begonnen allemaal op hetzelfde ogenblik te vergaan van dorst op een plek waar geen enkele kraan of lid van het personeel was te zien. Na enig overleg zette mijn vriendin een tuinslang aan in een van de kassen en richtte die op de uitgedroogde kelen; ze stonden met open monden in de rij als communianten in de kerk.

Gelest, ja geabsolveerd gingen we verder en vonden een gazon met een paar fruitbomen, twee kweeperen beladen met vruchten en een moerbei. Een andere bezoeker die daar op een bank zat hoorde wat wij zeiden en kwam behulpzaam tussenbeide. ""O nee, dat is geen moerbei! Ik weet een plek waar er een is en het druipt over de geparkeerde auto's als bloed. Dit is een kers.'' ""En dat?'' vroeg ik, op de kweepeer wijzend. ""Dat is een appelboom; ik kom hier elke dag.''

We wachtten tot hij vertrokken was en vroegen toen aan een tuinman (de eerste die we zagen: hij zat gemakkelijk op een bank en at een sandwich) of we een paar moerbeien mochten eten. ""Eet ze niet allemaal op'', zei hij. Wij hadden nooit eerder een moerbei geproefd; het is vreemd te denken dat geen van ons ooit de hand hadden weten te leggen op een vrucht die sinds de Romeinse tijd in Engeland wordt geteeld. Maar alles wat erover gezegd wordt is waar, het moet de lekkerste vrucht zijn die er bestaat. Als je er in bijt barsten de besjes waar zij uit opgebouwd is open, waarbij een hemels sap vrij komt met een onvergetelijke bitterzoete smaak. Ze barsten ook al als je ze plukt, en in minder dan geen tijd zaten onze handen en armen vol met sapvegen. De kinderen kregen het over hun gezicht, het leek wel een bloedbad.

Aangezien we geen ladder bij ons hadden moesten we er een paar laten zitten en tenslotte begonnen de kinderen zich ook te schamen voor hun bloedbevlekte moeders. Ik kan nog steeds niet begrijpen hoe er zoveel vruchten aan die boom konden zitten: wisten ze daar wel dat ze eetbaar waren? In de tuin stond ook een groot aantal vijgebomen, de vijgen zitten er bij gebrek aan gegadigden vermoedelijk nog steeds. Misschien zijn de Wisbechianen geen fruiteters. Maar ik ben dankbaarder dan ooit dat we een moerbei in onze tuin hebben geplant: ik wacht nu, verteerd door ongeduld, op het moment dat er vruchten aan komen.