SPD-leider slaat met wijziging asielwet twee vliegen in een klap; De internationale schade van “zie je wel, ze zijn daar toch niet veranderd” zal nog jaren bestaan

Het verenigde Duitsland is zeer in de war. Het vertrouwen in "de politiek' heeft een ongekend dieptepunt bereikt, extreem rechts groeit als kool in de opiniepeilingen. Dagelijks plegen jonge radicale relschoppers laffe aanslagen op asielzoekers. Over ruim veertig jaar fatsoenlijk democratisch bestaan van de Bondsrepubliek vallen, mèt dat geweld, zware schaduwen. Wat er ook verder gebeurt, de internationale schade van “zie je wel, ze zijn daar toch niet veranderd” zal nog jaren bestaan.

Met de Westduitse economie gaat het ongewoon matig, met de Oostduitse nog steeds desastreus. Ministers en andere politici van de regeringscoalitie doen het ene na het andere voorstel om aan geld te komen voor de financiering van de opbouw van de vroegere DDR. Ja, ze rollen vechtend over straat, zoals een kenner als de CPN'er Marcus Bakker dat verschijnsel in de jaren zeventig in Nederland typeerde.

Kanselier Helmut Kohl bijt zich de tanden stuk op de, door bijna iedereen, zeer onderschatte kosten van de eenwording. De eenheidskanselier, die zich had voorgenomen om zijn volgende en laatste politieke hoofdstuk te wijden aan de verankering van zijn vergrote land in een onomkeerbaar geïntegreerd Europa, ziet de naijver en het wantrouwen tussen West- en Oostduitsers groeien. Hij weet dat de Europese integratie volgens "Maastricht' dadelijk (20 september) vooral afhankelijk van wat de Fransen per referendum vinden van de oude politieke hasardeur die al elf jaar hun president is. En in de CDU, hèt domein van Kohl sinds hij in 1973 haar voorzitter werd, vechten verbittering en radeloosheid om voorrang. Zeker nu de kanselier met zijn hoofd almaar in Parijs en Brussel is en thuis de problemen weer volgens de tactiek van het "uitzitten' wil laten verdwijnen.

Onder zulke omstandigheden zal het de oppositie wel goed gaan, zou men denken. Maar zo is niet, althans tot nu toe niet. De SPD, die in de loop van de jaren tachtig het bestaan van twee Duitse staten gaandeweg als onveranderlijk was gaan aanvaarden, werd door de eenwording op het verkeerde been gezet. Na de Wende in de DDR van eind '89 bleken haar ijzervijlsels opnieuw verkeerd te liggen.

Net als in de jaren vijftig dus, nadat zij de grote slag om de gedaante van Duitsland van Konrad Adenauers CDU had verloren, en in diens burgerlijke "West-republiek' had moeten leren leven. In een republiek die lid van de NAVO en de EG werd, en waar de invloed van de factor arbeid zijn maximale grens vond in de staalsector, namelijk bij de Montan-Mitbestimmung die nota bene vooral door de linkervleugel van de CDU was afgedwongen. In een republiek ook die door haar snelle economische succes de sociaal-democratie veel minder electorale kansen bood dan zij in, zeg, Frankrijk of Groot-Brittannië had.

Pas in 1959, toen de SPD dank zij haar grote visionaire man Herbert Wehner en diens "programma van Bad Godesberg' Karl Marx en een flinke hoeveelheid ideologische artikelen met politieke ballastwaarde overboord zette, kwam er meer perspectief. Al zou het nog tot 1966 duren voor zij via een grote coalitie met de CDU/CSU aan regeringsverantwoordelijkheid toekwam. Meer nog, van '69 tot '82 was zij onder de kanseliers Willy Brandt en Helmut Schmidt de grootste en gezichtsbepalende regeringspartij. Sindsdien zit zij zich in de oppositie te verbijten, haar kanselierskandidaten Johannes Rau ('83), Hans-Jochen Vogel ('87) en Oskar Lafontaine ('90) kregen er in Bondsdagverkiezingen van langs van Kohl, niet in de laatste plaats dank zij permanente spanningen in de belangrijke driehoek tussen het partijbestuur, de Bondsdagfractie en de rivaliserende jonge partijvorsten en vorstjes in de Duitse deelstaten. Dat zijn de "kleinkinderen' van Brandt, die politiek gesproken in woede zijn verwekt, namelijk na diens val en aflossing als kanselier, in 1974.

Het zijn dus ook anti-Schmidtkinderen, de huidige premiers van Nedersaksen (Schröder), Bremen (Wedemeijer), Saarland (Lafontaine), Hessen (Eichel) en Rijnland-Palts (Scharping). Dat zijn van harte de beheerders van nieuwe, maar electoraal wéér riskant geworden passies. Want mede via hen heeft de SPD in de jaren tachtig een serie taboes aan boord weten te halen die haar kans op macht in Bonn behoorlijk beperken. De meest courante van die ongemakken, en ook de lastigste, zijn de vorig voorjaar op een emotioneel partijcongres in Bremen vastgelegde opvattingen over het asielrecht en de vraag of Duitse militairen onder de VN-vlag ook buiten het NAVO-gebied ingezet mogen worden.

Het wordt nu tijd om de naam van de meest verrassende Duitse politicus van de afgelopen weken te noemen. Namelijk die van Björn Engholm (51), premier in Sleeswijk-Holstein, de man die zich voorjaar 1990 na heel veel handenwringen (“er zijn betere mensen dan ik, de afstand tot Bonn is wel wat groot, ik ben geen homo politicus”) liet bewegen om voorzitter van de SPD te worden. En die in 1991, na hernieuwd handenwringen (“het is me veel te vroeg”) ten slotte zwichtte en kandidaat-kanselier werd onder het Noordduitse motto "wat mut, dat mut'. Een "softie', naar de media bijna eenparig oordeelden. Eine Pfeife, een aardige sufferd, bleek begin augustus de meerderheid van 2300 geënquêtteerde Hamburgse gymnasiasten te vinden. Helmut Kohl zal zich de vingers wel hebben afgelikt, toen hij hoorde wie de SPD bij de Bondsdagverkiezingen van 1994 als zijn opponent had gedacht.

Die schijn heeft bedrogen, lijkt het nu. Want twee weken geleden heeft Björn Engholm in een tweedaags overleg de SPD-top op de Petersberg bij Bonn, pal tegenover Wehners Bad Godesberg, aan de overkant van de Rijn, een tamelijk radicale koerswijziging afgedwongen op het stuk van het asielbeleid en de inzet van Duitse soldaten, in beginsel ook voor vredesafdwingende taken, in VN-verband. Conclusies van dat overleg, in dit bestek heel kort weergegeven: de SPD is nu, na jaren verzet, óók bereid om de Duitse grondwet te veranderen om 1) de grote stroom van asielzoekers te helpen beperken tot echt vervolgden en 2) een bij de nieuwe Duitse verantwoordelijkheid passende rol in de VN mogelijk te maken. Engholm deed er afgelopen weekeinde nog een schepje bovenop door te zeggen dat hij er nu op voorwaarden ook vóór is om, bij verdenking van zware criminaliteit, de politie telefoonverkeer te laten afluisteren en met undercover-agenten te werken.

Er is inmiddels een woedende discussie binnen de SPD ontbrand. De finales daarvan volgen volgende week op een ingelaste bijzondere partijraad en, zo nodig, een buitengewoonpartijcongres in oktober. Wat er ook van Engholms koerszwenking te zeggen valt, vast staat dat hij als hij zijn zin krijgt twee vliegen in één klap slaat. Namelijk dat hij, zoals Herbert Wehner in 1959, zijn partij dan heeft bevrijd van een flinke hoeveelheid bezwarende bagage en bovendien zijn exclusieve gezag vestigt jegens partijbestuur, Bondsdagfractie en de regionale kleinkinderen van Willy Brandt.

Anders gezegd: als Engholm zometeen slaagt, krijgt CDU-lijsttrekker Kohl in '94 een echte SPD-concurrent. Nog anders gezegd: terwijl Kohls gezag binnen de CDU onmiskenbaar erodeert, en zijn minister Volker Rühe (defensie) geregeld wordt beschreven als een denkbare alternatieve kanselier voor een toekomstige grote centrum-linkse coalitie, werkt Engholm nu aan een waarschijnlijk succesvolle poging om de SPD zonder een overmaat aan programmatische handicaps gesloten achter zich te krijgen.

Op het SPD-congres dat vorig voorjaar in Bremen zulke handicaps vastlegde, zei Engholm: “Een parlementariër, vrouw of man, die het waagt om in debatten over wijziging van de grondwet af te wijken van de standpunten van dit congres, zal daarna politiek dood zijn en verdwijnen”. Dat staat dus nog te bezien, Helmut Kohl zal de uitkomst met enige spanning afwachten.