Pronk: Ik weet me wel degelijk aan te passen

DEN HAAG, 5 SEPT. De conflicten in Joegoslavië en andere delen van Oost-Europa en in Somalië en Soedan eisen dagelijks steeds meer levens, maar de wereldgemeenschap weet niet hoe al die brandhaarden aan te pakken. Minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking heeft geen heimwee naar de Koude Oorlog, maar conflicten die toen in de kiem aanwezig waren werden wel gesmoord. Voor hem is de wereld nu duidelijk meer instabiel.

Voorzichtig beginnen de Verenigde Naties, zo zegt hij bij de aanvang van zijn college om tien uur 's avonds in een bijna verlaten ministerie, naar middelen te zoeken om vrede te handhaven en militair tussenbeide te komen om mensenrechten en een menselijk bestaan te verzekeren. Cambodja is daarbij een vuurproef.

“We kunnen na het wegvallen van een tweede grootmacht drie kanten op. Een unipolaire wereld, waarbij Amerika zich zelf benoemt tot politieagent of daartoe door een paar andere landen wordt aangewezen. Een regionale aanpak waarbij landen als Brazilië, de Verenigde Staten, India, Turkije, Japan opkomen voor orde en stabiliteit in hun regio met alle risisco's die zo'n ordenig kan inhouden. Of een versterking van de internationale rechtsorde door het hervormen van bestaande instellingen als de Verenigde Naties. Dat laatste heeft mijn voorkeur.”

Pronk geeft toe dat nog moet blijken of de Verenigde Naties die slagkracht van hun leden krijgen. Voor hem staat of valt die hervorming met de taken die de VN nu op zich heeft genomen zoals in Cambodja. Een interim bestuur van de Verenigde Naties geholpen door meer dan veertienduizend militairen, bereidt daar verkiezingen voor, moet toezien op de ontwapening van milities en de terugkeer van 350.000 vluchtelingen en hun middelen van bestaan geven.

“Wat nog ontbreekt bij de hervormingen van bestaande internationale instituten is de filosofie. Het schort ook aan consensus.” Volgens Pronk worden er wel pogingen gedaan om over humanitaire interventie, staatloze volkeren, de positie van minderheden en de toekomst van de natie-staat gelijkgezinde ideeën te ontwikkelen.

Daarom is het volgens hem zo belangrijk dat VN-acties én in Joegoslavië én in Somalië én in Cambodja slagen. Succes ter plekke stimuleert de hervormingen. Hij wil er alles aan doen dat Nederland daarbij niet achterblijft. Wordt op het hoogste niveau, de Veiligheidsraad, besloten dat alle andere middelen zijn uitgeput en militair moet worden ingegrepen dan moeten de goed getrainde en goed uitgeruste troepen voor die taak ook klaarstaan. Dat bevordert de geloofwaardigheid van het instituut dat die uiterste beslissing neemt, aldus Pronk.

Had hij tijdens de Golf-crisis nog bedenkingen over een massaal militair optreden omdat hij er niet zeker van was dat er voldoende internationale draagkracht bestond voor die militaire interventie en hij ook niet overtuigd was dat alle diplomatieke middelen al waren benut, nu én in Joegoslavië én in Somalië is het zaak snel militair tussenbeide te komen om humanitaire acties te laten slagen. In Cambodja moet een VN-leger de politieke acties van de VN ondersteunen en mede tot uitvoering brengen.

Hij is er voorstander van om de noodhulp aam Cambodja uit te breiden en toont zich bereid om meer bij te dragen aan inzet van Nederlandse militairen. Op de begroting voor 1993 gaat het daarbij om een bedrag van 64 miljoen gulden maar dat kan hoger naarmate meer Nederlandse militairen ingezet worden in landen in ontwikkeling.

Enigszins in zijn wiek geschoten door de vraag of dat geen omwenteling in zijn visie is antwoordt hij dat de zaken zeer eenvoudig liggen. “Als boeren door het toenemende geweld niet meer kunnen zaaien dan zal je middelen moeten vinden om hen dat mogelijk te maken. Ik ben niet anders gaan denken maar de wereld is een stuk onveiliger. Dan zal er aan die onveiligheid iets moeten worden gedaan om ontwikkelingsprojecten en hulpverlening te laten slagen. Daarom ook zal ik meer met Defensie gaan samenwerken. Een versnelde herstructurering van het leger. Betere transportcapaciteiten, een diepgaand debat over de wenselijkheid van een beroepsleger. Die samenwerking met Defensie betekent ook dat ik me er meer mee zal inlaten.”

Hij werpt verre van zich de kritiek dat hij te weinig bereid is om in een snel veranderde wereld ook zijn beleid aan te passen. Hij geeft toe dat socialisten wat moeite hebben als het bij die aanpassingen ook om de systemen zelf gaat, waarmee doelstellingen worden bereikt. Maar ook daar vindt hij zichzelf realist door ervaringen opgedaan tijdens zijn werk voor de Verenigde Naties in de jaren tachtig.

“Ik weet me wel degelijk aan te passen. Op het gebied van opvang van asielzoekers, op het gebied van milieu, op het gebied van hulp aan Oost-Europa en het deelnemen aan vredesoperaties heeft Ontwikkelingssamenwerking zelf initiatieven genomen. Dus het beleid verandert door de gewijzigde omstandigheden wel degelijk. Ik juich het parlementaire debat daarover toe. Maar het korten op Ontwikkelingssamenwerking zal ik niet meemaken en het speelt tijdens deze kabinetsperiode ook niet meer. Partij van de Arbeid en het CDA hebben zich immers vastgelegd op dat beleid.”

Geërgerd heeft hij zich aan het "onzuivere' optreden van de CDA-fractie in de Tweede Kamer in het debat over het opzeggen door de regering in Jakarta van het ontwikkelingsverdrag van Nederland met Indonesië. Hij en minister Van den Broek en de Kamer hadden verantwoordelijkheid genomen voor het mensenrechtenbeleid inzake Indonesië na de moordpartij op Oost-Timor en dan mocht achteraf de schuld niet bij hem worden gelet. Wat Pronk betreft let de door het CDA gewaarschuwde minister dus niet op zijn tellen. Overigens wil hij die zaak nu liever laten rusten.

“Zolang mij de gelegenheid wordt gegeven om te reageren, om ook ballonnen op te laten en hard terug te praten stoort mij het debat over de toekomst van het ontwikkelingsbeleid niet. Ik heb geen moeite met een wijziging van het uitgavenpatroon. Dat is een interessante discussie en daar neem ik actief aan deel. Ook ik ben bereid om daarbij grenzen te verleggen. En dat heb ik ook gedaan. Maar ik verzet me tegen een vermindering. En dat gebeurt ook niet.”