MISVERSTANDEN OVER DE IBERISCHE VLUCHTROUTE

Fluchtweg Spanien-Portugal. Die deutsche Emigration und der Exodus aus Europa 1933-1945 door Patrik von zur Mühlen 223 blz., J.H.W. Dietz 1992, f 45,80 ISBN 3 8012 4030 4

Het lot van de vluchtelingen die na de nationaal-socialistische machtsovername in 1933 uit Duitsland wisten te ontkomen - in totaal naar schatting een half miljoen mensen - is het onderwerp van een afzonderlijk historisch specialisme geworden, de "Exilforschung'. Het is niet mogelijk zonder emotie kennis te nemen van de studies over dit onderwerp op een moment dat in Europa opnieuw tienduizenden "displaced persons' zijn aangewezen op humanitaire hulp.

De meeste publikaties over de emigratie uit Hitler-Duitsland concentreren zich op de wederwaardigheden van literatoren, wetenschapsmensen en politici die hun openbare activiteiten buiten Duitsland voortzetten. Frankrijk alleen al herbergde tussen 1933 en 1940 meer dan 160 Duitse kranten, tijdschriften en andere emigrantenperiodieken. Het puikje van de Duitse cultuur en wetenschap bevond zich buitenslands. Ook voor de Exilforschung zijn de woorden van Bertolt Brecht, zelf een van de beroemdste vluchtelingen, toepasselijk: "Und man siehet die im Lichte, die im Dunkeln sieht man nicht.' Ongeveer 95 procent van de vluchtelingen uit het Duitse machtsgebied waren joden. De overige vijf procent zijn niet-joodse echtgenoten in zogenaamde gemengde huwelijken. De vertegewoordigers van de door Hitler verboden politieke partijen en van de in het Derde Rijk verdoemde en vervolgde cultuur en wetenschap vormen maar een miniem (zij het wegens hun betekenis interessant) deel van de emigranten.

De vluchtbeweging zelf - vluchtroutes, legaal en illegaal grensverkeer, geografische en organisatorische aspecten van de vlucht, de interneringskampen en de organisaties voor vluchtelingenhulp - is het onderwerp van het boek Fluchtweg Spanien-Portugal door Patrik von zur Mühlen, een aan de Friedrich-Ebert-stichting (het wetenschappelijk bureau van de SPD) verbonden historicus. Hier gaat het vooral om de praktisch gesproken enige uitweg uit het bezette Europa na de Franse nederlaag in 1940 - de Iberische vluchtroute over de Pyreneeën.

AANLOOPPUNTEN

In Frankrijk zaten de emigranten uit Duitsland in de val. Voor een deel is deze constatering ook al op de situatie voor 1940 van toepassing. De Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen in Frankrijk hadden te kampen met een scala aan juridische en administratieve maatregelen om de toevloed in te dammen. Het merendeel leefde in de illegaliteit of in een schemerige half-legale situatie. De Franse politie schiep in de periode voor 1940 al een belangrijk deel van het bureaucratische apparaat en van de opsporingstechnieken voor de latere vervolging van politieke tegenstanders en voor de in 1942 in gang gezette deportaties van joden naar de vernietigingskampen.

Na de wapenstilstand probeerden velen naar het niet-bezette deel van Frankrijk te ontkomen. In de zomer van 1942 verlangde het Derde Rijk van het Vichy-regime de uitlevering van buitenlandse joden. Bij razzia's werden duizenden emigranten gearresteerd en uitgeleverd. Na de bezetting van zuidelijk Frankrijk door de Duitsers in november 1942 begaven nieuwe groepen vluchtelingen, voornamelijk Fransen, zich op weg naar het Iberische schiereiland. De route over de Pyreneeën bleef de hele oorlogstijd van 1939 tot augustus 1944 in gebruik. Het aantal personen dat in de Tweede Wereldoorlog legaal of illegaal de grens passeerde - bijna steeds op doorreis naar Portugal - wordt op 50.000 geschat.

Met de hulp aan de vluchtenden hielden zich in Frankrijk politieke, humanitaire en commerciële organisaties bezig. Deze beschikten over netwerken van aanlooppunten waar de vluchtelingen werden ondergebracht, verpleegd en verder getransporteerd en waar men hen soms van geld en reisdocumenten kon voorzien. De laatste schakel in de keten vormden de grensgidsen ("passeurs') die de vluchtelingen door wouden en over het hooggebergte naar Spanje brachten. De bekendste sluiproute voerde langs de Frans-Spaanse grensovergang Cerbre - Port Bou in de westelijke Pyreneeën, waar het in 1933 uit Duitsland gevluchte echtpaar Johannes en Lisa Fittko de transporten leidde. Zij stonden in verbinding met het vanuit Marseille geleide Centre Americain de Secours.

In de regel begon een transport met een voettocht van enkele nachten (het nachtelijk duister bood bescherming tegen de Duitse luchtverkenning). Het aantal mislukkingen door lawines, bevriezing en uitputting, in enkele gevallen ook roofmoorden, is onbekend. De voornaamste oorzaak van mislukte grensoverschrijding lag echter in ontdekking door Franse gendarmerie of, na november 1942, Duitse patrouilles. Zolang het Vichy-regime de Pyreneeën controleerde, werden de gearresteerde vluchtelingen naar interneringskampen in Zuid-Frankrijk gebracht, na de bezetting verdwenen zij in Duitse vernietigingskampen. Passeurs die in handen van de bezetters vielen werden zonder pardon doodgeschoten.

SD-AGENTEN

Patrik von zur Mühlen besteedt het grootste deel van zijn boek aan de situatie van de vluchtelingen in Spanje, een land dat in de Exilforschung tot dusver vrijwel buiten beschouwing is gelaten omdat alle aandacht zich heeft gericht op de Spaanse burgeroorlog die van 1936 tot 1939 woedde. Voor de burgeroorlog hadden zich al ettelijke duizenden uit Duitsland en Oostenrijk gevluchte joden in Spanje gevestigd, al bleef de immigratie getalsmatig ver achter bij landen als Frankrijk, Nederland en Tsjechoslowakije. Na de rebellie van Franco tegen de Spaanse republiek sloot een groot deel van de politiek bewuste emigranten zich bij de antifascistische milities aan. In de Internationale Brigades vochten circa vijfduizend Duitsers en drieduizend Oostenrijkers mee. Zij vluchtten na de overwinning van Franco naar Franrkijk, werden daar geïnterneerd en later aan het Derde Rijk uitgeleverd. Toch bleef - daar is niet eerder op gewezen - ook een groep joodse emigranten, geen politieke vluchtelingen, zowel tijdens de burgeroorlog als onder Franco, in Spanje wonen. Hun toestand verslechterde aanzienlijk ten gevolge van de samenwerking tussen de Spaanse en Duitse politieautoriteiten.

Van 1939 af werkten in de Duitse ambassade in Madrid twee dozijn politie-attachés die een net van SD-agenten opbouwden, waarvan een deel zich met de vervolging van Duitse vluchtelingen bezighield. De politiek van de Franco-autoriteiten was in dit opzicht niet eenduidig. De Spaanse politie arresteerde en interneerde personen die illegaal waren ingereisd of illegaal in het bezit van vreemde deviezen waren, maar liet ook ettelijke politiek actieve vluchtelingen ongehinderd naar Portugal door. Illegalen die aan de grens werden gesnapt, werden soms teruggestuurd, soms geïnterneerd, maar formele uitlevering aan de Gestapo beperkte zich tot de oud-Spanje-strijders. Er zijn geen bewijzen dat Spanje - in tegenstelling tot het Vichy-regime in Frankrijk - zich medeplichtig heeft gemaakt aan de holocaust. Wel werkten de Franco-autoriteiten in enkele gevallen mee aan de gewelddadige ontvoering van door de Gestapo gezochte politieke vluchtelingen.

Om asiel te zoeken kwam Franco-Spanje nauwelijks in aanmerking. Het land was leeggebloed en de dictatuur bejegende vreemdelingen met groot wantrouwen. Dat wantrouwen richtte zich ook tegen de internationaal werkende particuliere hulporganisaties en tegen het Rode Kruis dat pas na de Tweede Wereldoorlog in Spanje werd toegelaten. De Spaanse autoriteiten zagen de vluchtelingen liefst buiten de grenzen - het transito-verkeer naar Portugal werd dan ook geduld.

BEOORDELINGSFOUT

Onder de emigranten bestond grote angst voor de doorreis door Spanje. Het was bekend dat reizigers onderweg gearresteerd werden om voor lange tijd achter prikkeldraad te verdwijnen. De ideologische verwantschap tussen de Spaanse en Duitse machthebbers voorspelde weinig goeds. Dit leidde soms tot regelrechte paniekreacties, zoals in het geval van de filosoof Walter Benjamin die zich in de Spaanse grensplaats Port Bou uit angst voor uitlevering aan de Gestapo van het leven beroofde. Volgens Patrik von zur Mühlen was dit een tragische beoordelingsfout. Wie over - echte of vervalste - papieren en voldoende geld beschikte, had een grote kans Portugal te bereiken. Dat lukte prominenten als Heinrich Mann, Franz en Alma Werfel, Hans Habe, Lion Feuchtwanger en de bekende communiste Ruth Fischer; het lukte ook ettelijke tienduizenden onbekende joodse emigranten.

Niettemin werden bij strenge deviezencontroles en razzia's onder "clandestinos' (illegalen) grote aantallen arrestaties verricht. Zij leidden tot een soms jarenlang verblijf in interneringskampen zoals Miranda do Ebro in noord-Spanje dat soms vierduizend gevangenen bevatte. Er bestonden mensonwaardige omstandigheden in deze kampen, al geeft de omineuze benaming "campo de concentracion' geen reden deze met de Duitse vernietigingskampen op één lijn te stellen.

Portugal, het voorlopige reisdoel van de meeste vluchtelingen, beschouwde zich evenmin als Spanje als asielland, maar voor zover de vluchtelingen over geldige reisdocumenten - vooral het visum van een gastland - beschikten, konden zij Portugal als wachtkamer gebruiken. Ten minste 50.000 mensen hebben zich in de loop van de oorlogsjaren in Lissabon en andere Portugese havensteden ingescheept. Bureaucratische chicanes, afpersing door scheepvaartondernemingen en angst voor de Duitse geheime politie maakten het oponthoud in het land van dictator Salazar voor de meeste emigranten onaangenaam. Toch legde het bewind, dat een strikte neutraliteitspolitiek handhaafde, de emigranten met legale documenten weinig in de weg. De arm van de Gestapo was lang genoeg om ook in Portugal politieke tegenstanders te bestrijden en in een enkel geval te ontvoeren, maar niet om grote aantallen mensen te vervolgen. De samenwerking tussen de Portugese en Duitse geheime diensten strekte zich niet uit tot de vervolging van joodse vluchtelingen. Portugal zette zich zelfs krachtig in voor de eigen joodse burgers die zich in het Duitse machtsgebied bevonden.

Lissabon vormde het Europese hoofdkwartier van belangrijke hulporganisaties die zich voor het lot van de vluchtelingen inzetten. De grootste waren de Amerikaans-joodse "Joint' en HIAS/HICEM, de Quakers en de Unitariërs. Er waren organisaties die zich streng legalistisch opstelden en andere die zich in de schemerzone van illegaliteit of half-legaliteit bewogen. Hun grootste problemen waren de organisatie van scheepsruimte en het loskrijgen van inreisvisa. Tot 1943, toen Roosevelt ingreep, ondervond het vluchtelingenwerk aanzienlijke tegenwerking van de Amerikaanse consulaten in Lissabon en Madrid die zeer terughoudend waren bij de uitreiking van visa. Groot-Brittannië hield Palestina vrijwel vergrendeld. Canada verklaarde na de opname van 500 vluchtelingen dat zijn opnamecapaciteit was uitgeput. Zelfs de regeringen in ballingschap werkten tegen: de Nederlandse regering in Londen weigerde vluchtelingen in Suriname of op de Nederlandse Antillen onder te brengen. Het is deze houding van de geallieerde landen die Von zur Mühlen uiteindelijk tot de verzuchting brengt, dat de Iberische vluchtroute een "weg van gemiste kansen' is geweest.