MINI-PLANETEN

Asteroïden, een oneindig spel door Eric W. Elst 164 blz., geïll., Hadewijch 1992, f 25,75 ISBN 90 5240 105 5

Als men de afstanden van de planeten tot de zon uitdrukt in de afstand aarde-zon (de "astronomische eenheid') en deze getallen vervolgens onder elkaar zet, dan valt iets merkwaardigs op. De afstanden nemen met een bepaalde regelmaat toe, maar bij de stap van Mars naar Jupiter is die regelmaat zoek. Tussen de banen van die twee planeten bevindt zich een opvallend grote ruimte: het lijkt alsof daar een planeet ontbreekt.

Dit merkwaardige gat was de astronomen eeuwen geleden al opgevallen, en toen in 1781 de planeet Uranus werd ontdekt, waarvan de afstand óók aan die regelmaat bleek te voldoen, werd besloten om systematisch naar de "ontbrekende' planeet te gaan zoeken. Er werd een groep astronomen geformeerd, de Lilien-thal-detectives (naar een beroemde sterrenwacht bij Bremen), om dit plan uit te voeren. Maar voordat die groep goed en wel was begonnen, werd de planeet op 1 januari 1801 bij toeval ontdekt door de Italiaanse astronoom Giuseppe Piazzi.

De nieuwe planeet, Ceres, bleek een heel klein geval, veel kleiner dan de kleinste planeet die toen bekend was (Mercurius). Maar toch leek de regelmaat in het zonnestelsel hersteld. Een jaar later werd echter nog zo'n planeetje ontdekt (Pallas), in 1804 een derde (Juno) en in 1807 een vierde (Vesta). Ze bewogen zich alle tussen de banen van Mars en Jupiter rond de zon en waren zo lichtzwak dat ze zich als sterretjes voordeden: vandaar de naam "asteroïden'.

Omdat het sterke vermoeden rees dat er nog meer moesten zijn, ging men met speciale sterrenkaarten systematisch de hemel afstropen. En zo begon in 1845 een onafgebroken reeks ontdekkingen van objecten met een diameter van enkele tientallen tot een paar honderd kilometer. In 1891 schoot de hemelfotografie te hulp, nam het aantal ontdekkingen enorm toe en werden zelfs steenklompen van slechts enkele honderden meters diameter waargenomen. Momenteel is het aantal met een definitief "nummer' (dat wil zeggen met een goed bekende baan) de vijfduizend al ver gepasseerd.

n het verleden hebben sommige astronomen het opsporen van asteroïden, die men nu liever planetoïden noemt (ze hebben immers niets te maken met sterren), tot hun levenswerk gemaakt, en ook nu zijn er nog zulke "jagers'. Eén van hen is Eric W. Elst, van de Koninklijke Sterrenwacht van België te Ukkel. Hij heeft 35 ontdekkingen op zijn naam staan. In het boek Asteroïden wil hij het grote publiek deelgenoot maken van de spanning en sensatie van die jacht. Elst verhaalt over zijn reizen naar verschillende sterrenwachten, waar hij hemelfoto's maakt, naar sporen van planetoïden zoekt, hun posities bepaalt, om op het Minor Planet Center in Cambridge (VS) een baan te laten berekenen, en dan soms de vreugde van een ontdekking smaakt, en soms teleurstelling als een ander hem al voor is geweest. Het zijn, schrijft hij, gevoelens die te vergelijken zijn met die van een sportman die een wedstrijd wil winnen.

Het jacht-aspect weet de auteur zeker over te brengen, maar het is jammer dat hij niet wat meer structuur in het boek heeft gebracht. De stijl is die van een dagboek. Daardoor wordt de lezer direct met veel te veel technische zaken om de oren geslagen en begint het gejacht na enkele hoofdstukken behoorlijk vermoeiend te worden.

Jammer is ook dat hierdoor het belang van van het onderzoek aan planetoïden niet uit de verf komt. In de inleiding wordt terecht opgemerkt dat het onderzoek naar het ""kleine grut'' in het zonnestelsel nog te veel wordt achtergesteld. Vele astronomen beschouwen planetoïden nog als onbelangrijk restmateriaal in het zonnestelsel: brokken die er niet in zijn geslaagd tot één volwaardige planeet samen te smelten.

Maar sinds zo'n jaar of tien beseft men dat planetoïden ons juist veel kunnen leren over het geboorteproces van het zonnestelsel. Planetoïden bevatten immers onveranderde materie uit die ontstaansperiode. Verder zijn zij verantwoordelijk geweest voor het ontstaan van enorme inslagkraters op planeten (en hun manen), en wellicht ook voor de catastrofen in de geologische geschiedenis op aarde.

Bovendien is gebleken dat fragmenten van planetoïden af en toe als meteorieten op aarde belanden (zoals op 7 april 1990 in Glanerbrug) en dus ook langs deze eenvoudige weg kunnen worden bestudeerd. Ook lijken planetoïden soms meer verwantschap te vertonen met kometen dan werd gedacht. Onlangs is zelfs een soort kruising tussen een planetoïde en een komeet ontdekt. Kometen, die nog "maagdelijker' zijn dan planetoïden, hebben trouwens vanwege hun spectaculaire verschijningen altijd wèl veel aandacht gekregen.