Kunstrif bij Noordwijk moet leven in zeewater verrijken

NOORDWIJK, 5 SEPT. Als het weer meezit, zal volgende week donderdag ruim acht kilometer uit de kust bij Noordwijk circa 450 ton aan bazaltblokken op de Noordzeebodem worden gestort. Ze komen in vier hopen van elk drie meter hoog op een rij te liggen. Daarmee krijgt Nederland zijn eerste (bescheiden) kunstrif, een verschijnsel dat in verre en nabije buitenlanden al jaren bekend is als middel om de visserij te bevorderen, maar in Nederland nog een experimenteel karakter heeft. De bedoeling is te onderzoeken hoe zo'n verzameling steen zich ontwikkelt als woonplaats voor een reeks van kleinere zeedieren, die zich aan de blokken vasthechten: een proef ter vergroting van de biologische verscheidenheid nabij de kust.

Het kunstmatig rif, iets zuidelijk van het voormalige REM-eiland (tegenwoordig de Meetpost Noordwijk), is een gezamenlijk initiatief van Rijkswaterstaat, speciaal de Directie Noordzee en de Dienst Getijdewateren, en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) in Bilthoven. Het idee is van bioloog en RIVM-medewerker R.J. Leewis. Hij maakte uitgebreid studie van dergelijke constructies in andere zeeën en kwam tot interessante conclusies aangaande het "aangroeigedrag van wrakken en waterbouwkundige objecten'.

Dat scheepswrakken, net als natuurlijke riffen, een bloeiend leven herbergen, is al lang doorgedrongen tot beroeps- en sportvissers, die dit gegeven dankbaar benutten. Leewis: “Op wrakken komt gemiddeld 180 keer zo veel dierlijk leven voor als op een kale zandbodem.” Maar ook dijken, strandhoofden, off-shore-installaties en kunstmatige riffen kennen volgens hem een grote biologische rijkdom. Het kost hem geen moeite om soorten uit de lagere ordes van het dierenrijk te noemen: “Sponzen, zee-anemomen, zakpijpen en hydroietpoliepen, die zich allemaal aan het bewuste object vasthechten. Mossels en oesters ook. Neem alleen al dat voormalige REM-eiland. Daar vonden we een van de dichtstbegroeide mosselgemeenschappen: tachtig kilo, inclusief schelpen, per vierkante meter. Verder komen er kreeften en krabben op zo'n constructie af en ook vissen natuurlijk. De ervaring in het buitenland leert dat die er al binnen enkele uren bij zijn.”

Leewis verwerpt de kritiek dat een kunstmatig rif als bij Noordwijk slechts gedierte van elders aantrekt, zodat de biomassa (de totale hoeveelheid leven) in het hele gebied per saldo gelijk blijft. “Veel kleinere zeedieren”, zegt hij, “hebben een harde ondergrond nodig om van larf tot volwassen exemplaar uit te groeien. Waar die harde ondergrond ontbreekt, dus in het grootste deel van de Noordzee met haar zandige bodem, sterven onnoemelijk veel larven, waarna ze worden afgebroken door bacteriën. Dat kost zuurstof, waardoor het zuurstofgehalte omlaag gaat. Kunstriffen kunnen tegen dat proces een dam opwerpen met als resultaat een verrijking van het mariene leven, zowel qua aantallen als soorten.”

Projectleider ir. F.P. Hallie van de Directie Noordzee voert bovendien aan dat de aanleg van een kunstrif voor Neerlands kust is aangekondigd in het zogenoemde Waterplansysteemplan Noordzee, dat weer een uitwerking is van de Derde Nota Waterhuishouding. Hallie: “Binnen drie tot vijf jaar moet het rif volgroeid raken. In die tussentijd zal het particuliere bureau Waardenburg de monitoring verzorgen, dat wil zeggen dat dit bureau, gespecialiseerd in biologisch duikwerk, regelmatig met foto- en videocamera's vastlegt hoe de zaak zich onder de zeespiegel ontwikkelt.”

Op de eventuele betekenis van het kunstrif voor de Nederlandse beroepsvisserij lopen Hallie en Leewis liever niet vooruit. Weliswaar wordt aangenomen dat de bezalthoop soorten als wijting, zeebaars, steenbolk en horsmakreel een woonplaats van belang biedt, als het om de commercie gaat, willen de twee slechts kwijt: “Het is denkbaar dat de beroepsvisserij hiervan in de toekomst profiteert.”

Met dat behoedzame "statement' gaan ze minder ver dan bijvoorbeeld dr. H. Saeijs, hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat in Zeeland. Hij was kort geleden te horen op een Noordzeesymposium, waar hij (op persoonlijke titel) aldus tegen de hedendaagse visserij fulmineerde: “Die heeft onder het motto "pakken wat je pakken kan in niemandsland' desastreuze vormen aangenomen. De zee wordt bijkans leeggevist en de bodem wordt kaalgeschraapt.”

Ter illustratie van zijn klacht noemde Saeijs de boomkorvisserij, waar op elke ton vangst circa vijf ton aan bijvangst overboord gaat, om vervolgens het kunstrif-onderzoek van Rijkswaterstaat/RIVM warm in de aandacht aan te bevelen: “De vraag is in hoeverre in zo'n rustig en vriendelijk milieu vis kan worden geoogst met een afvalpercentage van praktisch nul en tegen veel lagere kosten dan de gangbare visserij.”

Zo'n gedachte mag bij mensen als Hallie en Leewis, naar ze zeggen, “slechts in het achterhoofd spelen”, feit is dat veel "artificial reefs' in het buitenland juist bedoeld zijn om de broodvisserij te dienen. Leewis heeft daarvan sterke staaltjes voorhanden: “In Japan bijvoorbeeld zijn al resultaten bereikt met riffen waarop alleen kreeften voorkomen. Of alleen inktvissen. Daar kennen ze het systeem al sinds de zeventiende eeuw. Het land telt zo'n dertig firma's die alle mogelijke constructies per catalogus aanbieden.”

Wat Nederland betreft, blijft de relatie kunstrif-visserij voorlopig beperkt tot een waarschuwing aan trawlers en andere schepen.