JOE W. ALSOP; Een columnist met politieke macht

"I've Seen the Best of It'. Memoirs door Joseph W. Alsop (met Adam Platt) 495 blz., geill., W. W.Norton & Co 1992, f 68,75 ISBN 0 393 02917 4

Volgens de befaamde Amerikaanse journalist Joe W. Alsop dienen reporters een duidelijke afstand jegens hun onderwerp te bewaren. Zijn devies was "objectieve verslaggeving' en politieke stellingnamen zoveel mogelijk te vermijden. Had Alsop zijn eigen opvatting daadwerkelijk in de praktijk gebracht, dan zou hij het waarschijnlijk nimmer dertig jaar aan het journalistieke firmament hebben volgehouden. Van 1937 tot 1972 gold hij (samen met zijn broer Stewart) als een van de toonaangevende Amerikaanse columnisten die de opvattingen van het politieke centrum verwoordde. Menig politicus vreesde de zachte maar onontkoombare wijze waarop hij mensen naar de politieke slachtbank kon leiden.

Alsop was verbonden aan de New York Herald Tribune, maar publiceerde ook regelmatig in de Saturday Evening Post, Life, The New Yorker, en de Atlantic Monthly. Met zijn broer Stewart schreef hij drie maal per week een column in de Tribune, terwijl zij op zondag nog elk afzonderlijke rubrieken in andere bladen hadden. Volgens een door Time verspreid gerucht bedienden de gebroeders Alsop zich van veertig informanten en onderhield Joe het netwerk.

Dat de autobiografie I've Seen the Best of It in de Verenigde Staten veel aandacht zal krijgen, is wel zeker. Joe Alsop gold als een van dé ingewijden in de Amerikaanse politiek. Hoewel hij zichzelf niet als een politieke commentator betitelde, was zijn journalistieke carrière, zoals hij zelf opmerkte, wel degelijk ""onlosmakelijk verbonden met het wel en wee van de Amerikaanse politieke elite''. President Roosevelt vond het niet meer dan normaal dat Alsop in het Witte Huis rondstapte op zoek naar informatie voor ""zijn stukkie in de krant'', terwijl Harry Truman hem beschouwde als de welbekende ""pain in the ass''. Twee ministers van de regering-Eisenhower erkenden ruiterlijk dat zij de politieke offerdieren van de Alsops waren, en bij Kennedy gold Joe als de journalist die als eerste van een politieke roddel werd voorzien.

THEE MET WHISKEY

Alsop belandde in 1936 in de journalistiek, maar dat kon niemand voorzien. Hij werd geboren in 1910 in Avon, Connecticut, en groeide op de boerderij van zijn vader op. Zijn vader speelde een vooraanstaande rol in het stadsbestuur en zijn moeder was verre familie van de Roosevelts. De Roosevelts deden op zondagmiddag regelmatig huize-Alsop aan om op de veranda een kopje thee met whiskey te nuttigen, en ""er was geen zondag dat de broer van Theodore Roosevelt het huis nuchter verliet''. Joe karakteriseert zijn familie als het prototype van de WASP's (White-Anglo-Saxon-Protestants) en erkent dat aan de politieke opvattingen van deze sociale groep bedenkelijke kanten kleefden. Opgewekte begrippen als "De Nieuwe Wereld', "De Amerikaanse Droom' en "Het Beloofde Land', deden weliswaar bij menig immigrant het hart sneller kloppen, maar leidden uiteindelijk tot een historische paradox. De eerste landverhuizers riepen zichzelf uit tot ware Amerikanen en terroriseerden de nieuwkomers. Dit elitaire denken en culturele chauvinisme van de WASP's had alles te maken met de Britse afkomst van de vroege emigranten, die hun klassensysteem meenamen naar "Het Land van de Vrijheid' om het daar te cultiveren. Logisch, aldus Alsop, ""want het waren vooral immigranten uit de lagere sociale klassen die Engeland verlieten, omdat Amerika hun de kans bood tot een groep te behoren waar zij in Engeland nimmer deel van zouden kunnen uitmaken''.

Alsop benadrukt dat zijn familie zich altijd aan het enge chauvinisme van de WASP-cultuur heeft proberen te onttrekken. Anderzijds geeft hij toe dat zijn jeugd zich door een ""beschamende weelde'' kenmerkte. Op de boerderij werd altijd over eten gesproken; het diner en hierbij behorende etiquette werden als zaken van levensbelang beschouwd. Voor het avondeten diende men zich goed te kleden en soms werd Joe zelfs naar Londen gestuurd om zich een nieuw pak aan te laten meten. De familie zag al snel in dat dit een te dure bezigheid was, want Joe's obsessieve eetgedrag leidde steeds weer tot nieuwe records van zijn lichaamsomvang. Op de middelbare school in Massachussetts leed Joe zo onder zijn overgewicht dat hij zelfs een zelfmoordpoging overwoog. Maar op de universiteit van Harvard, waar hij in 1932 in "literatuur, kunsten en filosofie' afstudeerde, overwon hij zijn complex: ""Mijn humor en drukte leidden de aandacht af van de 245 pond die ik toen woog.''

SCHRIJFTALENT

Na zijn studie kreeg Alsop door toedoen van zijn ouders een baan aangeboden als stadsjournalist bij de New York Herald Tribune. Hoewel de hoofdredacteur hem ontving als ""een weerzinwekkend produkt van Republican inbreeding'', werd Joe's schrijftalent al snel ontdekt en kreeg hij steeds belangrijker onderwerpen toegeschoven. Met zijn verhaal over de ontvoering van de baby van de transatlantische piloot Charles Lindbergh maakte Joe zo'n faam dat hij in 1936 naar Washington gestuurd werd met de opdracht "Republikeins-gezinde' politieke stukken te schrijven.

Daar startte Alsop met zijn collega Rubert Kintner de column "The Capital Parade'. Tot zijn stomme verbazing bleek de North American Newspaper Alliance bereid de column te kopen en te distribueren over bijna honderd andere kranten. Daarmee was zijn naam spoedig gevestigd.

In Washington ontwikkelde Alsop zich overigens bepaald niet tot een "Republikeins-gezinde' journalist. Hij klaagde wel dat er onder Roosevelt in het Witte Huis ontzettend slechte salades geserveerd werden (met stukjes marsh-mallow!), maar dat weerhield hem er niet van zichzelf als een overtuigd New Deal-liberaal te karakteriseren. Alsop geeft in zijn boek niet aan of hij zich New Dealer voelde vanwege Roosevelts programma van actief overheidsoptreden, of dat hij onder de indruk was van Roosevelts streven het Amerikaanse isolationisme te doorbreken. Het heeft er echter alle schijn van dat vooral het laatste het geval is, ook al omdat hij in zijn columns vanaf 1938 bijna voortdurend schreef over de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Natuurlijk was het in Alsops voordeel dat hij een ver familielid van Roosevelt was. In vergelijking met andere journalisten had hij een grote bewegingsvrijheid rond en in het Witte Huis, en voor hem was het een prettige bijkomstigheid dat hij bijzonder goed met Roosevelts directe adviseur Harry Hopkins kon opschieten. Die zorgde er ook voor dat Alsop tijdens de oorlog in China als "Land-Lease-ambtenaar' gestationeerd werd, met dien verstande dat hij regelmatig Washington kon inlichten over de politieke en militaire ontwikkelingen aldaar. Hoewel Alsop in zijn memoires de indruk wekt dat hij slechts een geringe rol speelde, is dankzij The Morgenthau Diaries of Barbara Tuchmans Stilwell and the American Experience in China duidelijk dat hij wel degelijk heeft bijgedragen tot Roosevelts politiek in het Verre Oosten.

Alsop berichtte bijvoorbeeld dat Amerika zich in de persoon van generaal Stilwell schuldig maakte aan ""pretentieuze en gevaarlijke operaties te land, waarvan de resultaten twijfelachtig waren, terwijl we de schitterende en eenvoudige kansen in de lucht laten liggen''. Stilwell moest volgens hem maar vervangen worden, want hij was ""een conventionele infanterist van de hoogdravende, bekrompen, oude stempel''. Alsop zag veel meer in generaal Claire L. Chennault en zijn avontuurlijke "Vliegende Tijgers'. De brieven aan Hopkins misten hun uitwerking niet. Generaal Chennault kreeg een afzonderlijke luchtmachteenheid en Stilwell werd in oktober 1944 teruggeroepen.

BEWIEROKING

Later had hij tijdens de oorlog in Korea ook al weinig goede woorden over voor de Amerikaanse bevelhebber ter plekke. De atmosfeer rond generaal Douglas MacArthur was volgens hem ""zo zwaar van bewieroking dat zelfs Lodewijk XIV ervan gekokhalsd had''. De band met Roosevelt en Hopkins leidde ertoe dat Alsop bij zijn terugkeer uit de Oriënt in Harry S. Truman een president aantrof die weinig indruk op hem maakte. Roosevelts opvolger kon in zijn ogen weinig goeds verrichten en dat liet hij in zijn columns, waarmee hij eind 1945 weer was begonnen, nu samen met zijn broer Stewart, duidelijk blijken. Niets was meer over van Roosevelts New Deal-sfeer en weg waren de overheidsfunctionarissen die hem altijd te woord stonden. Het Witte Huis was een mechanisch geheel geworden, bemand door een president die, in tegenstelling tot zijn voorganger, volgens Alsop niet op de hoogte was van de belangrijke internationale politieke ontwikkelingen.

Alsop doelde natuurlijk op het communisme. De overwinning van Mao in China in 1949 maakten hem tot een "cold-war-liberal' en in zijn columns ontwikkelde hij zich als de zegsman van degenen die een "tough policy' tegenover de Sovjet-Unie voorstonden. Trumans "indammings-politiek' werd dan ook door hem toegejuicht, zij het dat hij over de president zijn twijfels bleef houden. Zo mopperde hij over het Marshall Plan dat niemand de beroemde speech van Marshall snapte toen die hem uitsprak.

Rond 1950 hadden de gebroeders Alsop hun reputatie als invloedrijke columnisten duidelijk gevestigd. Toen Truman zijn minister van defensie Louis Johnson ontsloeg, was de algemene opvatting dat de Alsops over diens lot hadden beslist. Zij hadden hem immers voortdurend bekritiseerd vanwege een volgens hen te laag defensiebudget. Sterker, hun invloed reikte zo ver dat de Russische Minister van Buitenlandse Zaken Andrei I. Vishinsky hen op een vergadering van de Verenigde Naties veroordeelde omdat zij in een van hun columns hadden opgeroepen tot de oprichting van verschillende luchtbases in Noord-India, het Midden-Oosten en Noord Afrika.

De verwachting luidde dat de nieuwe president Eisenhower in 1952 een plezieriger onthaal in de columns van de Alsops ten deel zou vallen. Het tegendeel was het geval. Volgens Alsop was Eisenhower de lafhartigste president die de Verenigde Staten ooit hadden gekend. Eisenhowers halfslachtige opstelling jegens communistenjager McCarthy was voor Alsop, ondanks zijn eigen felle anti-communisme, onverteerbaar. Van de Amerikaanse journalisten behoorden de gebroeders Alsop trouwens tot de eersten die krachtig tegen McCarthy en diens praktijken optraden. Toen McCarthy bijvoorbeeld oud-Vice-President Henry A. Wallace voor zijn beruchte onderzoekscommissie voor on-Amerikaanse activiteiten sommeerde in een poging hem aan de schandpaal te nagelen voor een falend "China-beleid', was het Joe Alsop die McCarthy een gepeperde brief schreef waarin hij verklaarde dat Wallace niets met de communistische overwinning in China van doen had.

SLEUTELPOSITIES

Natuurlijk geeft Alsop zich in zijn boek rekenschap van de gangbare verklaringen voor Eisenhowers timide houding jegens McCarthy. Eisenhower wenste de eenheid in de Republikeinse partij te handhaven en het presidentschap weer de waardigheid terug te geven, die het sinds Truman zou hebben verloren. Dat klopt, schrijft Alsop, maar er was nog een reden waarom de president zich afzijdig hield. In vraaggesprekken met Eisenhower viel het Alsop op dat de president nimmer over de kwestie Berlijn wilde spreken. Geleidelijk kwam hij erachter dat Eisenhower tijdens zijn korte commando in 1946 over de troepen in Berlijn een aantal Amerikaanse communisten op sleutelposities in het leger had benoemd. De angst van de president dat McCarthy hier de vinger op zou weten te leggen en dat de heksenjacht zich op hem persoonlijk zou richten, was volgens Alsop de reden dat hij als president niets tegen de senator durfde te ondernemen.

Alsops kritiek op McCarthy maakte hem bij de liberals een gevierd journalist. McCarthy noemde de broers woedend de "Allslops', en Edgar J. Hoover verspreidde het gerucht dat Joe homoseksueel was. Maar Alsops finest hour tijdens de communistenjacht verhulde het feit dat hij de wereld zelf ook voortdurend in termen van de Koude Oorlog bezag.

Kennedy mocht zich verheugen in een gunstig onthaal door Alsop, die de mening was toegedaan dat de president het helemaal met hem eens was. Wellicht was het een reactie op het Eisenhower-tijdperk, of het gevolg van het feit dat hij als journalist direct bij Kennedy's glamourland betrokken werd, zeker is dat Alsop er nooit op betrapt is een negatief aspect over de nieuwe president te vermelden. Ook in dit boek vermijdt hij de discussie over Kennedy's banden met McCarthy en verzwijgt het gegeven dat Kennedy in 1954 niet thuis gaf toen de Senaat een stemming over McCarthy hield. Alsop erkent wel dat hij ter wille van Kennedy's verkiezingscampagne over de bewapeningsachterstand van de Amerikanen op de Russen schreef, terwijl hij wist dat er van een "missile gap' geenszins sprake was.

Alsop was zelfs bereid het fiasco in de Varkensbaai in zijn columns uitgebreid te verdedigen. Hij beschouwde de dood van Kennedy als de meest tragische gebeurtenis in zijn leven, erger nog dan de dood van zijn eigen vader. Het kon dan ook niet anders dan dat Kennedy's opvolger het weer bij hem moest ontgelden. Johnson werd door Alsop niet verweten de oorlog in Vietnam te voeren, maar juist bekritiseerd omdat hij het Amerikaanse volk niet op de oorlog had voorbereid. Had Kennedy nog geleefd of had zich weer een Roosevelt aangediend, dan had volgens Alsop de natie zich eendrachtig achter het Amerikaanse avontuur in Zuidoost-Azië geschaard.

Terwijl de publieke opinie zich in de loop van 1967 tegen de oorlog keerde, bleef Alsop er in zijn rubriek op hameren dat de strijd tegen het communisme onverminderd voortgezet diende te worden. De aandacht die de media aan het Tet-offensief besteedden, vond hij ronduit belachelijk en meer en meer begon hij zich van zijn vakbroeders te isoleren. Uiteindelijk werd hij min of meer slachtoffer van zijn eigen column, die bol stond van zijn obsessie de oorlog in Vietnam te winnen.

In 1972, zeventien jaar voor zijn dood door longkanker (hij rookte jarenlang 95 sigaretten per dag), legde Joe Alsop zijn pen definitief neer, omdat, zoals hij opmerkte, ""de huidige Amerikaanse politieke cultuur hem niet meer tot een objectief politiek commentaar kon inspireren''.