Indurain heeft alles mee om wereldtitel

BENIDORM, 5 SEPT. Miguel Indurain heeft alles mee bij de strijd om de wereldtitel op de weg, morgen in Benidorm. Het is er boven de dertig graden - de Spaanse wielerheld is in grote hitte op zijn best - en tienduizenden van zijn fanatieke supporters omzomen het voor hem geknipte heuvelachtige parcours in de badplaats aan de Middellandse Zee. Bovendien is Indurain in topvorm en perfect voorbereid. Wordt de kopman van Banesto als winnaar gekroond dan zorgt hij voor een zeldzame trilogie: net als Eddie Merckx (1974) en Stephen Roche (1987) is hij in één jaar eerste in de Italiaanse Giro, eerste in de Tour de France en eerste op het WK.

Een triomf van Indurain zou voor Spanje ook een primeur betekenen. Nooit eerder in de geschiedenis van het WK profs op de weg, in 1927 ingevoerd, stond een inwoner van het Iberische schiereiland op de hoogste trede van het ereschavot. Ene Montero (1935) was er met zijn zilveren medaille nog het dichtst bij. Sáez (1967), Ocana (1973), Fernandez (1980) en Fernández (1987 en 1988) plus Indurain (1991) mochten de bronzen medaille in ontvangst nemen. Het is geen wonder dat Spanjaarden geen hoofdrolspelers zijn in het gevecht om de regenboogtrui. De belangrijkste eendaagse rit van het jaar wordt gewoonlijk afgewerkt op geaccidenteerd terrein. Wie wil uitblinken moet macht hebben, een grote versnelling kunnen draaien. En dat is niet de grote kracht van de Spaanse renners.

De geschiedenis leert het. De Spaanse topcoureurs - voor de Tweede Wereldoorlog was hun internationale optreden tamelijk beperkt - zijn doorgaans ranke schriele types die pas in de voorhoede acteerden als het hooggebergte zich aandiende. Zo was Gelabert in 1952 de beste Tour-klimmer na de legendarische Italiaan Fausto Coppi. Kort daarna stond Frederico Bahamontes op. De Adelaar van Toledo was zesmaal koning van de cols en veroverde de hoofdprijs van de Tour in 1959. Zijn Spaanse opvolgers met veel klimtalent heetten Jimenez, Gonzalez, Gandarias, Fuente, Torres, Perurena, Lopez-Carril en Luis Ocana. De laatste kon echter veel méér dan uitstekend bergop rijden. Dat dankte hij mede aan het feit dat hij in buitenlandse dienst reed. In Frankrijk, Italië en België hardde hij zich in eendaagse wedstrijden met wind, sterke concurrentie en soms zelfs kasseien.

Pedro Delgado, na Bahamontes de tweede Spaanse winnaar van de Tour (1988), ontwikkelde zich eveneens door een avontuur buiten eigen land tot een uitstekende ronde-renner. Desondanks blijken de Spanjaarden niet te schitteren in grote eendaagse wedstrijden, hetgeen ook een gevolg is van desinteresse of hun gekozen isolement: velen zijn bang de Pyreneeën over te gaan. Hun score is dan ook opmerkelijk mager. Miguel Poblet was in 1959 de eerste Spanjaard die een klassieker buiten categorie won. Indurain was zijn opvolger toen hij twee jaar geleden San Sebastian-San Sebastian, een nieuwe topwedstrijd, op zijn naam schreef. De alleskunner met zijn voor een Spanjaard omvangrijke lichaam (78 kilo bij een lengte van 1.88 meter) zal er vast nog wel enige aan toevoegen. Misschien begint hij daaraan morgen al. Want Indurain is de grote favoriet voor de wereldtitel. En hij heeft alles mee.

    • Guido de Vries