Het diamannetje

De zomer is voorbij, de vakantie achter de rug. “Hebben jullie het fijn gehad, en hoe was het weer?” Bizarre voorvallen worden graag vertelde anecdotes, maar ook schijnbaar minieme gebeurtenissen blijven in het geheugen steken. Deze en volgende week zaterdag een kleine bloemlezing van vakantieherinneringen.

De N 197 op Corsica begint in het binnenland bij het slaperige, maar Twinpeaksachtig broeierige stadje Ponte Leccia en loopt autoloos dood aan de kade van het noordwestelijke kustplaatsje Calvi. Niet dat je dan plotseling beland bent in een oase van rust, want weliswaar is dat laatste stukje route principale autovrij, het lawaai is er niet minder om: scooters en terreinmotoren mogen hier ongestraft langs de terrassen knetteren, het gekrakeel en geroezemoes waait je al van verre tegemoet en sinds MTV ook Corsica heeft veroverd, beschouwt elke horeca-uitbater het als een vorm van klantenbinding om op zijn minst twee permanent schetterende televisietoestellen aan de pui van zijn zaak te hangen.

Het een en ander is te wijten aan het feit dat het bootpolyester het hier overgenomen heeft van het autoblik, want zoals dat in reisgidsentaal heet: Calvi is uitgegroeid tot een van de populairste Franse jachthavens. Hetgeen een eufemisme is voor het feit dat de bootjes van de oorspronkelijke vissersbevolking het hebben moeten afleggen tegen de omgevallen reuzekoelkasten die patserig in het maanlicht liggen te blinken. Wat weer tot gevolg heeft gehad dat de oude vissershuisjes verbouwd zijn tot eet-, drank- en dansetablissementen, souvenirshops, boutiques, schoenwinkels, juweliers en clubs nautique.

Na de eerste stappen langs de elektriciteitspaaltjes waarvan het nieuwe piratendom zijn stroom aftapt, wilde ik in de jachthaven van Calvi alweer snel rechtsomkeert maken, maar het verging me net als op een drukke kermis: tegen de stroom inlopen is haast onmogelijk. Dus liet ik me meezuigen in de opgedirkte optocht van passanten en passagierders. En daarmee kon het liedje, dat nu nog als een niet kapot te krijgen oorwurm in mijn gehoor zit, beginnen: Ladadi, ladada, ladadi, ladada. Van terras tot hamburgertent, van ijscokraam tot discotheek, telkens kwam ik in het geluidsveld van weer een andere tv-monitor waaruit ditzelfde hersenspoelende deuntje dreunde. Ladadi, ladada, ladadi, ladada, het leek alsof de hele naar eten en drank zoekende menigte voortgolfde op de melodie van deze clipsong.

Na wat gewring kon ik me losmaken uit het gedrang en dook ik een steegje in. Wederom kwam ik terecht in een kluwen mensen, maar het vreemde was dat hier ineens een toegewijde stilte heerste. Vragend of ik alsjeblieft langs mocht, werd ik zelfs door een viertal discoprinsesjes die ik op de kadeboulevard nog ladadidend voor me uit had zien huppelen, sissend tot zwijgen gemaand. Over de nieuwsgierige hoofden heenturend probeerde ik te ontdekken waar al die devote aandacht naartoe ging en nu pas zag ik dat aan de straatkant een oud knokig mannetje verhaaltjes stond te vertellen bij de dia's die hij vertoonde.

Met een versleten laken tegen de muur, met zijn gammele diaprojector waarvoor hij stroom aftapte uit de keuken van een restaurant, met zijn bekraste dia's van Afrika, met zijn simpele verhalen over Berbers, wilde dieren en de woestijn had hij hier dat hele krankzinnige plezierhavenpretpark stilgezet. Een wonder was het absoluut, maar voor de zekerheid knipperde ik toch even met mijn ogen om me ervan te overtuigen dat ik niet van een nachtmerrie in een droom was beland.

Maar het was echt. Met zijn bibberende handen duwde hij een volgend magazijn dia's in zijn toverlantaarn om me mee te nemen naar een nomadenkamp in Algerije. Aan het slot van zijn voorstelling pakte hij een blokfluit uit zijn koffer, blies naar zijn eigen zeggen een Afrikaans, het noodlot bezwerend liedje en ging daarna met een strooien wandelhoed rond. “Geef niet te veel”, zei hij, “anders word ik rijk en als ik rijk ben, kan ik dit niet meer doen.”

Opgetogen ging ik de volgende avond terug naar de jachthaven van Calvi, op zoek naar het diamannetje. Ik wilde weten hoe hij heette, waar hij overal geweest was, welke steden en vakantie-oorden hij met zijn attractie nog van plan was te bezoeken. Tevergeefs, hij was vertrokken. In het steegje waar ik hem had gezien knipperde ik als een kind dat bruut uit zijn sprookjesdroom was gehaald nog even met mijn ogen. Maar het diamannetje kreeg ik er niet mee terug.

Terug in Amsterdam sjokte ik nog een paar keer door de drukke Kalverstraat. Weer diezelfde melodie, nu uit de luidsprekerboxen van de modezaken: Ladadi, ladada, ladadi, ladada. Op goed geluk schoot ik een steegje in, maar ook daar stond het diamannetje niet.