Heeft de monarchie nog toekomst?

De vraag is al zou oud als het debat over de Europese integratie: is er nog toekomst voor de monarchie in een verenigd Europa? Het is een facet van het nationale soevereiniteitscomplex, waarover de politici en de staatsburgers in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zich drukker maken dan die in Nederland. Er is in zoverre een samenhang tussen die vragen dat een verlies aan nationale soevereiniteit een evenredig functieverlies voor het koningschap met zich meebrengt, op voorwaarde dat de nationale soevereiniteit niet geheel en al door het Europese integratieproces wordt verzwolgen. Zou dat laatste gebeuren dan zou er weinig anders voor het koningschap overblijven dan het rijksmuseum Het Loo en Madame Tussaud. Maar zo'n vaart zal het niet lopen. Zolang Thorbeckes schepping van de Nederlandse staatsvorm zich niet oplost in een supranationaal staatkundig bestel (une et indivisible) blijft het nationale koningschap nog wel een generatie of twee intact - in Nederland, in België, in Groot-Brittannië en waar het verder nog bestaat. De dienstdoende generatie loopt in elk geval nog geen acuut gevaar.

Als de monarchie op de kortere termijn met overbodigheid en extinctie wordt bedreigd - ik beperk mij nu tot de Nederlandse - dan moet veel eerder met endogene, in de monarchie zetelende, ondermijnende factoren rekening worden gehouden dan met buiten-Nederlandse factoren. De vragen over de verhouding van het koningschap en de uitgeholde nationale soevereiniteit zijn ook veel minder belangrijk dan de vraag of er na koningin Beatrix nog plaats is voor een koningschap. Concreter gesteld: is er na Beatrix voor een opvolger nog eer aan het koningschap te behalen? En is kroonprins Alexander te benijden dat de Nederlandse grondwet hem voorbestemd heeft over tien of twintig jaar zijn moeder als koning op te volgen? Het antwoord is tweemaal nee.

Mijn negatieve voorstelling daaromtrent steunt voor een deel op mijn beeld van de jonge Alexander, die mij niet helemaal uit de geschikte klei lijkt te zijn gekneed om dat ambt met de vereiste geestdrift en empathie te vervullen, maar ze steunt vooral op mijn beeld van de ambtsopvatting die zijn moeder in de afgelopen twaalfeneenhalf jaar van haar regering heeft ontplooid. Welke profielschets men straks ook voor hem zou hanteren (staatkundig inzicht, dossierbeheersing, ethos, werkdiscipline, constitutionele ambitie), op geen enkel punt zou hij de vergelijking met zijn moeder kunnen doorstaan, om de eenvoudige reden dat vrijwel niemand op alle punten die vergelijking zou kunnen doorstaan. Dat is de paradox van de bijdrage die koningin Beatrix aan haar eigen onopvolgbaarheid heeft geleverd. Zij heeft zoveel van haar ambt gemaakt dat geen enkele opvolger er daarna nog wat van kan maken - nog daargelaten dat hij bij zijn volle verstand de functie nauwelijks kan ambiëren. In de feesttoespraak die premier Lubbers bij de gelegenheid van haar regeringsjubileum - eind volgende maand - zal houden, zal voor die paradox wel geen plaats zijn, maar die vraag mag toch niet onbesproken blijven.

Is het koningschap dan nog zo belangrijk dat zulke vragen in het debat over een verdergaande Europese integratie ook ter zake doen? In de vorming van het regeringsbeleid is het koningschap zeker geen beslissende factor. Maar zolang het ambt niet is afgeschaft en de Nederlandse staatsvorm haar constitutioneel-monarchale middelpunt niet opgeeft, is het een factor die reëel gewicht in de schaal legt, ook al gaat het daarbij om onzichtbaar gewicht. Onder de regering van koningin Beatrix is dat duidelijker geworden dan ooit. In de tweede helft van de ambtstermijn van koningin Juliana mag de opvatting dat het koningschap vooral een tegenwicht is tegen de ministers door de opkomst van de partijprogramma's zijn verbleekt, en het constitutionele zwaartepunt ook daadwerkelijk naar de partij-ministers is verschoven, in de afgelopen twaalfeneenhalf jaar is die ontwikkeling onmiskenbaar omgebogen. Uit alle berichten van insiders blijkt dat premier Lubbers een zwaardere dobber aan zijn relatie met het staatshoofd heeft dan met zijn voorgangers het geval is geweest. Onder een aantal voorgangers werd de relatie tussen de premier en het staatshoofd gekenmerkt door een zekere plichtmatigheid en routine, in een enkel geval zelfs door een zekere verveelde tegenzin. Sinds 1980 zijn die betrekkingen vitaler en dynamischer geworden doordat koningin Beatrix van het begin af een gretigheid aan de dag heeft gelegd die sindsdien, naar verluidt, alleen maar is toegenomen.

Toegenomen dynamiek spreekt ook uit de professionalising die het ambtelijk apparaat van de koningin, lees: haar staf, heeft ondergaan. Onder Juliana was er van een professionele staf nauwelijks sprake. Wie voor de koningin werkte, werkte in een erebaan, wie daar nu werkt, zit er op grond van deskundigheid. Het gaat mischien te ver om te beweren dat de stafleden op paleis Noordeinde worden afgebeuld, maar van sinecures en erebanen is al lang geen sprake meer. De koningin, zo heb ik mij door één van de slachtoffers laten verzekeren, eist meer van haar omgeving dan een minister van zijn ambtenaren, ze vraagt het uiterste van haar medewerkers(sters) en ze bestuurt haar staf alsof het een departement is. Haar braintrust is ook het best te vergelijken met een ministersstaf, en dan vooral met de staf van de minister-president. Klein, handzaam, en efficiënt.

Ook uit de structuur van haar staf, de taakverdeling en de spreiding van deskundigheid, kan iets van de aard van haar constitutionele rolopvatting worden afgeleid: ze is met zoveel deskundigheid omgeven (staf, kabinet, rijksvoorlichtingsdienst) dat ze ook toegerust is om haar functie van constititioneel tegenwicht in de regering (het samenwerkend orgaan van verantwoordelijke ministers en niet-verantwoordelijke koning) te vervullen. Dat lijkt mij de kwintessens van haar taakopvatting: evenknie te zijn van de ministers. Constitutionele adeldom verplicht, wat in dit geval zoveel wil zeggen als de zelfopgelegde taak aan de ministers gelijk te willen zijn, niet in kennis van het regeringsbeleid voor de minister-president te willen onderdoen, zelfs niet onderdoen voor vakministers, opgewassen willen zijn tegen het kabinet. Volgens die opvatting is het koningschap eigenlijk niet veel anders dan een schaduw-regering. Dat is niet wat het grote publiek zich van de rol van het koningschap voorstelt, dat is zeker niet wat de politiek van het koningschap verwacht, maar het is een realiteit die zich onder het gedogend oog van de minister-president, en niet eens in strijd met de grondwet, onomkeerbaar heeft ontwikkeld.

    • H.A. van Wijnen