Hans Heestermans werd geboren in 1943 in ...

Hans Heestermans werd geboren in 1943 in Oud-Vossemeer (Zeeland). Van zijn eerste tot zijn achttiende woonde hij in Bergen op Zoom. Daarna studeerde hij Nederlands in Nijmegen. Hij promoveerde op de betekenisontwikkeling van voorzetsels. Vanaf 1970 woont Heestermans in Leiden, waar hij werkzaam is als redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Sinds 1976 is hij, samen met prof. Guido Geerts, hoofdredacteur van de Grote Van Dale, waarvan deze week de twaalfde editie verscheen. Heestermans is getrouwd en heeft geen kinderen.

Donderdag 27 augustus

Twee weken lang is het erg druk geweest met krant, radio en tv. Die drukte lijkt nu, een paar dagen voor de aanbieding van de 12de druk van Van Dale, even geluwd. Vandaag alleen nog "Het Parool'. Maurits Schmidt en ik spreken ruim twee uur met elkaar.

Eindelijk weer tijd voor gewone werkzaamheden. Vanmorgen voor mijn doen vroeg opgestaan (ik ben een nachtmens) om naar mijn instituut (het Instituut voor Nederlandse Lexicologie) te gaan. Met 12 collega's werk ik er aan het "Woordenboek der Nederlandsche Taal', dat grote, inmiddels 37-delige, woordenboek dat de taal van 1500 tot 1921 beschrijft. Ik ben bezig met de samenstellingen van zand. De bewerking van het grondwoord zand heeft me ongeveer 2 maanden gekost. Dat kan bijna niemand geloven. Twee maanden voor één woord! Het is elke keer weer fascinerend om te ontdekken hoeveel betekenissen zo'n woord kan hebben. Zand heeft er achttien, o.a.: zandverstuiving, woestijn, poeder, zandkorrel, niergruis, zandbank, oever en akker. Er zijn prachtige uitdrukkingen bij. Zand in de duinen zoeken, "nutteloos werk verrichten'. Wat jammer dat ze vrijwel helemaal niet meer gebruikt worden. Hoeveel boeiender zou het Nederlands zijn als we onze taal wat meer met zegswijzen zouden opsieren.

Om half zes ben ik klaar met het woord zandkever dat natuurlijk slechts één betekenis heeft. Het mooiste citaat (want alle woorden worden beschreven op basis van stukken tekst uit boeken, pamfletten, kranten, kluchten, enz. enz.) komt uit Starings' "Huisboek voor de Landman in Nederland' (1862): ""Zandkevers, cincindela, behooren tot de bondgenooten, doordien en kever en larve, die op zandgronden in regt neêrwaarts loopende holen huist, van insecten leven.''

Snel naar huis om te eten (een tosti). Om 18.15 in het zwembad voor mijn dagelijkse kilometer. 's Avonds werk ik aan een hertaling van een gedicht van Hooft. D.w.z. ik vertaal een aantal van zijn gedichten in hedendaags Nederlands. Wat maak ik van: ""Sijdij van minnaers smart een onversaedlijck vraetjen O min? soo gaet het mij noch al voor wind en stroom.''?

Ik ga vroeg naar bed en lees voor het slapen gaan nog een gedicht van Fernando Pessoa in de schitterende vertaling van August Willemsen.

""God zij geprezen dat ik geen goed mens ben,

En het natuurlijk egoïsme heb der bloemen

En van de rivieren die hun weg gaan,

Bezig beide, zonder het te weten,

Met niets dan bloeien en blijven

stromen.''

Misschien wil ik dit wel als grafschrift hebben.

Vrijdag

's Morgens heerlijk gewerkt aan woorden als zandoogje ('n vlinder), zandoven, zandpaal, zandpad. Huygens dicht: ""Die 't Sand-pad ploegen will, en zaeyen in den Wegh, Vermoeyt sijn' Ossen maer, en werpt sijn Koren wegh.''

Om een uur heb ik een werklunch met Christiane Berkvens. Begin september is er een congres in Napels over het begrip "tolerantie'. We gaan er beiden heen. De drijvende kracht achter dit congres is Antonio Rotondó, hoogleraar geschiedenis in Florence. Hij schreef, speciaal voor het congres, een boekje waarin hij uiteenzet welke deelstudies over de tolerantie nog allemaal moeten worden verricht. Van september 1993 tot juli 1994 zal er een werkgroep op het NIAS in Wassenaar onderzoek doen naar de tolerantie. Ik ben daarvoor uitgenodigd. Mijn plan is om te laten zien hoe de lexicograaf het begrip tolerantie kan of moet beschrijven. Een soort ideeëngeschiedenis.

Om half vijf heb ik een vergadering van de Vereniging van Belangstellenden in de Lakenhal. Ik ben sinds juni voorzitter. We spreken over het cadeau dat de vereniging zal aanbieden aan het Stedelijk Museum de Lakenhal ter gelegenheid van haar 75-jarig bestaan. Jetteke Bolten, de directeur van het Museum, is in onderhandeling met de zoon van schilder Hendrik Valk over de aankoop van een van diens schilderijen. De zoon vraagt een te hoog bedrag. Wat zullen we doen? Afzien van ons plan? We spreken verder nog over de overkapping van de binnenplaats en het "winkeltje'. Jetteke vraagt speciale aandacht voor de tentoonstelling van landschapschilderijen in maart. Er is nog veel geld voor nodig.

De avond wordt besteed aan iets feestelijks-treurigs. Elke avond in het zomerseizoen tref ik dezelfde baantjestrekkers aan in mijn zwembad Poelmeer in Oegstgeest. (Tic van de lexicograaf: staat baantjestrekker in de nieuwe Van Dale? Snel gekeken. Nee. Moet er toch wel in). Al jaren zijn dit voor mij vertrouwde gezichten. De gemeenteraad van Oegstgeest heeft in zijn ondoorgrondelijke wijsheid besloten dit 23 jaar-oude buitenbad te sluiten. Er moet per jaar 800.000 gulden bij. Vierduizend bezoekers hebben geprotesteerd. De gezamenlijke Oegstgeestse huisartsen hebben gewezen op het belang van het buitenbad voor de volksgezondheid. Niets hielp. Op het terrein van ons unieke door bomen omgeven bad prijken volgend jaar villa's. Van 800.000 gulden. Treurige ironie.

Het feestelijke zit 'm in een etentje. Negen dagelijkse badgasten gaan chinezen in Warmond. De stemming is vrolijk ondanks het feit dat we niet weten waar we volgend jaar heen moeten. We zullen het missen, ons bad Poelmeer. Maar zwemmen blijven we, we kunnen niet zonder. Wat een aardige mensen.

In bed nog twee gedichten uit de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie gelezen.

Zaterdag

Redelijk vroeg op. Om 10.00 uur lig ik in het zwembad. Twee kilometer. Thuisgekomen vind ik bij de post een brief van Bagrelia Borissova, hoogleraar Nederlands en Duits aan een universiteit in Bulgarije. Ik heb haar een maand geleden in Nederland ontmoet, waar ze instanties en personen afging om hulp voor haar Instituut te verkrijgen. Ik heb haar wat boeken meegegeven, o.a. een Van Dale 11de druk. De 12de was er nog niet. We spraken veel over de studie Nederlands in het buitenland. Nu vraagt ze me of ik kans zie volgend jaar oktober voor een maand naar Bulgarije te komen om gastcolleges te geven. Lijkt me zeer interessant.

Zaterdag is bij traditie de dag dat ik mijn stukje voor het Brabants Nieuwsblad schrijf. Al 6 jaar heb ik een rubriek over het dialect van mijn vroegere woonstreek West-Brabant. Ik begon met het denkbeeld dat ik na 20 stukjes wel uitgeschreven zou zijn. Deze week heb ik nummer 322 ingeleverd. Op elke aflevering komen talrijke reacties, zodat ik weer nieuwe woorden en uitdrukkingen kan behandelen.

Deze week schrijf ik o.a. over het woord sjappie. Weliswaar is dit van oorsprong Maleise woord ook in andere delen van Nederland bekend, maar dan in de betekenis "ruwe klant' of "iemand die er haveloos, verlopen uitziet'. In Bergen op Zoom en omgeving betekent het juist het omgekeerde: "een fatje, iemand die zich zeer opvallend kleedt'. Dat is het wonderlijke in de taal, dat een woord zich zowel in negatieve als in positieve zin kan ontwikkelen. Ik realiseer me dat dit eigenlijk het liefste is wat ik doe: op mijn studeerkamer zitten en over taal denken of schrijven. Of dat nu artikelen voor de krant zijn, of woorden voor Van Dale of het WNT: niets schenkt mij meer voldoening dan dit.

's Middags zouden Marijke en ik naar mijn moeder gaan. Ze is 84 en woont sinds 3 maanden in een bejaardenhuis. Ze zag daar erg tegen op maar heeft het nu uitstekend naar haar zin. Ik bel haar nog even en ze blijkt erg moe te zijn. Dan gaan we volgende week, niet nu. Dat ze er nog maar lang mag zijn.

Zondag

Vrij vroeg op. Om 11 uur naar het zwembad voor de kilometer. Het is - weer - niet druk. Er is een paradox: als het wel druk was (ook op andere dagen), zou het bad niet sluiten. Maar wij, baantjestrekkers, zouden door de drukte niet kunnen zwemmen.

Vervolgens naar de AVRO-studio voor een discussie tussen Jaap Bakker en mij. Jaap heeft enkele kritische kanttekeningen bij de nieuwe Van Dale. Ik probeer ze te weerleggen. Overigens is hij vol lof: hij beoordeelt de hoeveelheid informatie met het cijfer 12. Twee meer dan een 10.

's Middags nog gewerkt aan samenstellingen met zand, o.a. zandplaat, zandrekening en zandruiter. Zelfs bij die heel kleine woordjes ontdek je nog onverwachte aspecten. Zo blijkt het merkwaardige woordje zandrekening de vertaling te zijn van Arenarius, een geschrift van Archimedes waarin hij het aantal zandkorreltjes probeert te berekenen dat er in het heelal zou kunnen zijn.

Wonderlijk beroep heb ik toch.

Aan het einde van de middag komt TROS-AKTUA voor een kort interview.

Om tien voor acht met de trein naar Hilversum voor het programma "Met het oog op morgen'. Gelukkig kan het gesprek van te voren opgenomen worden. Anders zou ik pas om 2 uur thuis geweest zijn. Zo wordt het toch weer druk.

Maandag

Het feest begint al vroeg. Om 11 uur staat RTL 4 voor de deur. Er worden opnamen gemaakt voor het journaal van die avond. 's Middags zullen ze ook nog bij de officiële aanbieding zijn.

Om half drie verdwijnen Marijke en ik met de trein naar Delft waar we natuurlijk veel te vroeg aankomen. Het stadhuis, waar de aanbieding van de 12e editie aan mr. H. v. Mierlo zal plaatsvinden, is werkelijk schitterend.

Langzaam loopt de zaal vol. Er is veel pers, er zijn gelukkig ook veel vrienden en kennissen. Maar nog te weinig. Het uitnodigingsbeleid was wat te strikt zakelijk. In mijn toespraak zet ik uiteen wat de taak is van Van Dale: het moet beschrijvend zijn in het opnemen van woorden, maar normatief in het kwalificeren van die woorden. Daarom staat bij klip en klaar dat het een germanisme is en bij gijzelaar dat het ""vaak ten onrechte (gebruikt wordt) voor "degene die gijzelt'.''

Tenslotte bied ik een exemplaar van Van Dale, twaalfe druk, aan aan Van Mierlo. Hij was degene die jaren geleden viel over het gebruik van met name in de Troonrede. Daarin stond: ""Het land is de afgelopen jaren schoner geworden. Dat geldt met name lucht en water.'' Voor hem betekende dat: het hele land is schoner geworden, maar vooral lucht en water. Voor Lubbers was de betekenis van met name "bij de naam genoemd'. Dus de minister-president bedoelde te zeggen: het land is schoner geworden, dat wil zeggen: lucht en water zijn nu redelijk zuiver.

Ik refereer aan deze passage en zeg: Als Lubbers indertijd in de 11de druk van Van Dale had gekeken, dan had hij kunnen zien dat de door hem bedoelde betekenis van met name verouderd was. Als hij nu in de 12de druk kijkt, kan hij zich echt niet meer vergissen. Bij het trefwoord name is, onder de verbinding met name in de betekenis "in het bijzonder' als trefzinnetje opgenomen: ""Het land is schoner geworden. Dat geldt met name lucht en water.''

Van Mierlo, die net uit het ziekenhuis komt, antwoordt met een geestige speech. ""Als een Kamerlid de Van Dale pakt, is er iets aan de hand. Dan wordt er opgezocht of er beledigd is.''

Dan is de beurt aan Freek de Jonge. Ik weet zo ongeveer wat hij gaat doen. We hebben bij hem in zijn tuinhuisje lang over taal gesproken. Hij is een taalfilosoof, een woordenmens. Geen wonder: zijn grootvader was evangelist, zijn vader dominee. Hij is schitterend op dreef. Hij verbindt zijn bezigheid met de taal met die van de grootvader en vader.

Om 17.30 begint de receptie. Van Dale heeft uitgepakt. Heerlijke wijn, zalm, hammen, kazen. Maar ik kan er niets van eten en drinken. De media nemen bezit. Eerst een goed vraaggesprek met Theo Stokkink voor het programma "Schone Kunsten'. Daarna de Wereldomroep. Om 9 uur zijn we thuis. Doodmoe, maar tevreden. In bed lees ik nog een paar gedichten van Jean Pierre Rawie.

Dinsdag

Ik sta op een ongewoon tijdstip op, 7 uur, en wel uit ijdelheid. Om naar mijzelf te luisteren. Vanmorgen presenteer ik het programma "Een goede morgen met...', dat van 7 tot 9 op Radio 4 wordt uitgezonden. Bij hoge uitzondering heeft Aukelien van Hoytema toegestaan dat het programma niet live wordt uitgezonden, maar als "uitgesteld relais' zoals onze Vlaamse vrienden dat, geloof ik, zeggen. Ik draai muziek van o.a. Gesualdo, Mahler, de Klezmorim (rondtrekkende joodse muzikanten die prachtige vrolijk-weemoedige muziek maakten en invloed op de muziek van Mahler hebben gehad; er is nu over heel de wereld weer belangstelling voor deze muziek), het Nisi Dominus van Vivaldi en natuurlijk een aria van Maria Callas, de grootste (mezzo)sopraan die ooit geleefd heeft.

In mijn verbindende teksten lees ik een gedicht van Pessoa voor en vertel ik over mijn werk, o.a. over mijn ideale woordenboek. Dat zou zijn het woordenboek dat, naast de woorden en betekenissen, alle grote mooie dichtregels of aforistische zinnen uit romans zou opnemen. Behalve den man die de Sarfatistraat de mooiste plek van Europa vond heb ik nooit wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter (Nescio). Natuur is voor tevredenen en legen (Bloem). De winter en mijn lief zijn heen (Vasalis). Ik ben Judith. Ik heb net Holofernes' nek gezoend en heel gelaten, ik doe niet meer mee (Judith Herzberg). Hopelijk kunnen we dat in Van Dale 13 realiseren.

Aukelien heeft er een mooi programma van gemaakt. Om 12 uur gaan we op weg naar Antwerpen, waar de twaalfde druk wordt aangeboden door collega Geerts aan L. Vanvelthoven, voorzitter van de Vlaamse Raad en H. Weckx, gemeenschapsminister van Cultuur.

Guido belicht vooral ook de problematiek van de Zuidnederlandse woorden in Van Dale en de officiële Belgische termen. Monika van Paemel spreekt na hem bevlogen over taal. Ze maakt van de gelegenheid gebruik om na afloop van haar voordracht met Weckx te spreken over de subsidies aan de PEN.

De receptie hier is bijna even culinair als in Delft en daarna is er nog een heerlijk diner.

Nu wordt Guido belaagd door de pers. Hij staat zijn mannetje en is al spoedig hees. Zo zijn we stevig aan elkaar verbonden. We lopen door avondlijk Antwerpen naar de statie. Voor in de trein heb ik Hooft meegenomen.

's Avonds doodmoe naar bed. Het zit er op. Bijna.

Woensdag 2 september

Laat op. Eerst nog wat dingen regelen. Ik zou signeren bij de jonge, enthousiaste Bergse boekhandelaar Ad Quist (ja, ook Van Dale wordt gesigneerd), maar ik weet nog niet wanneer. Dat blijkt pas eind september te zijn.

Om 12 uur heb ik afgesproken met vriendin en ex-collega Nienke Bakker. Zij heeft mij bij het WNT opgeleid tot lexicograaf en ik ben haar altijd dankbaar voor de voortreffelijke, gedegen manier waarop ze dat deed. Vandaag verhuist ze naar Veere en ik neem boekenkasten over. Ik heb ze nodig. Ik groei uit mijn studeerkamer. Maar mijn 7.000 boeken steken nog schamel af tegen de 40.000 van mijn Van Dale-voorganger Kruyskamp.

Om een uur ben ik terug op mijn instituut. Tot kwart over 2 werk ik aan het woord zandsteen. Vaktaalwoorden zijn altijd moeilijk te definiëren.

Om half drie komt er een merkwaardig gezelschap bij elkaar in kamer 101: Het Matthias de Vriesgenootschap. Alle leden ervan zijn verwoede woordenboekverzamelaars. Leen Verhoeff is gespecialiseerd in woordenboeken van de soldatentaal, Ewoud Sanders verzamelt alle Nederlandse woordenboeken, ik hetzelfde plus alle grote buitenlandse: de Oxford English Dictionary, Littré, Robert, Deutsches Wörterbuch enz. En woordenboeken over het Jiddisch.

De leden weten naar welk werk iemand zoekt en geven elkaar tips. Ons tijdschrift heet "Trefwoord'. Het wordt naar een groot aantal instanties gestuurd van wie wij ook weer informatieve gegevens krijgen. Ik ervaar dit als zeer waardevol.

Vanmiddag spreekt Jan Posthumus over Engelse leenwoorden en ik over de nieuwe editie van Van Dale.

Om half zes is de bijeenkomst klaar. Ik snel naar Poelmeer voor de kilometer, want straks is er de zwemvierdaagse en dan is er voor mij niet te zwemmen. Het lukt net niet. Jammer.

In plaats daarvan speur ik wat in de literatuur over het onderwerp metafoor waarover ik in januari een lezing moet houden ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Instituut. Een moeilijk onderwerp, want er is al zoveel over geschreven. Maar ook een spannend onderwerp. Ik hoop dat ik er wat nieuws over kan zeggen.

Om kwart voor zeven naar Rotterdam voor het programma "De Waterspiegel' van Carl Huybregts. Ik signaleer de taalfouten. Helaas kan ik niet meer terugkomen op een ingebouwd foutje van mezelf.

Beneden, in de huiskamer ontvangt Marijke 's avonds haar "meisjes'. Zeven vrouwen aan wie ze de afgelopen 3 jaar toneellessen heeft gegeven. Ze hebben er allemaal van genoten. Goede vriendin Dr. Agnes is er ook.

In bed lees ik nog twee gedichten van Achterberg.

Ik ben een niet ontevreden mens.