Geen echte dieven

Met zijn tweeën waren ze op vakantie gegaan. Met de tent. Het idee om iedere nacht in een nylon ballon vol muggen te liggen, sprak haar niet bijzonder aan. maar ze liet zich overtuigen. Hij wilde zo graag. Ze kozen voor een camping aan een groot meer. Het was er schoon en rustig en ze vonden een plekje waar nauwelijks boomwortels lagen zodat de nacht op een flinterdun matje niet al te ongeriefelijk was. Eigenlijk, moest ze toegeven, vond ze het allemaal best leuk.

Op een middag in de tweede week troffen ze hun tent binnenstebuiten gekeerd aan. Iemand had alle haringen uit de grond getrokken en de inhoud van hun rugzakken in het rond gestrooid. Kleren, geld, zijn camera, alles lag kriskras door elkaar. Ze controleerden haastig of er misschien iets was gestolen maar dat bleek niet het geval. Geen dieven dus. Misschien baldadige kinderen. 's Avonds zaten ze met z'n tweeën nog een beetje te mijmeren wat er nou gebeurd kon zijn. Al met al vonden ze het nogal grappig; een mooi verhaal voor thuis.

De rest van de vakantie zeulden ze iedere dag een tas met hun kostbaarste bezit mee en filosofeerden over toekomstige vakanties in een tent. Tevreden gingen ze na drie weken huiswaarts.

Het eerste wat ze in Nederland deden, was het afgeven van de foto's in een one hour shop. “Alstublieft”, zei de juffrouw een uurtje later, “uw full color vakantie.” Hij haalde ze voorzichtig uit het hoesje. Foto's van het meer, van henzelf en opeens een foto van allemaal mannen in hun tent. “God”, zei hij, “dat moet op die dag gebeurd zijn....” Ze knikte. “Het lijken wel Hell's Angels.” Een van de kerels had haar onderbroek op zijn hoofd. Een andere stond aan de haringen van de tent te trekken. Ze keken nog eens goed. Links op de foto stond een vent met zijn broek op z'n knieën. Er stak iets tussen zijn billen uit. “Heeeee”, zei zij: “wat is dat nou voor een roze staafje.” Even bleef het stil. Hij slikte en antwoordde toen moeizaam: “dat is mijn tandenborstel.” “Gatver”, zei ze vol afschuw: “daar heb jij al die tijd je tanden mee gepoetst.”