EEN CRIME PASSIONNEL TEGEN DE FRANSE MORAAL

The Trial of Madame Caillaux door Edward Berenson 296 blz., geïll., University of California Press 1992, f 62,- ISBN 0 520 07347 9

Het was 16 maart 1914, in de vroege avond, en kennelijk frisjes, want madame Caillaux droeg haar kostbare bontjas. Maar de bij haar elegante tenue passende mof moest niet alleen haar handen verwarmen, zij diende vooral om een kleine Browning automatic te verbergen. De man aan wiens burelen ze aldus toegerust een bezoek bracht, Gaston Calmette, zou haar onverwachte visite dan ook niet overleven.

Mevrouw Caillaux, gearresteerd naast zijn met zes kogels doorboorde lichaam met het wapen nog in haar hand, ontkende niet. Wel weigerde ze zich voor haar overbrenging naar het politiebureau te verlagen tot een politie-auto; ze had niet voor niets haar chauffeur voor de deur laten wachten. Het was, zei ze bij haar berechting vier maanden later, een crime passionnel geweest. Anders echter dan we bij die term geneigd zijn te denken, had deze hartstochtelijke moord slechts indirect iets met liefde te maken. Althans: het slachtoffer, uitgever van de Figaro, had niets met zo'n relatie van doen.

"TON JO'

Terwijl de wereld, en Frankrijk in het bijzonder, aan de vooravond stond van de Eerste Wereldoorlog - het was inmiddels juli en de mobilisatie stond voor de deur - nam het proces tegen Henriette Caillaux dagenlang de voorpagina's in beslag. Journalisten betitelden het drama met zijn hooggeplaatste rolbezetting maar vast als het proces van de eeuw en de natie spitste de oren, als men al niet voor het gerechtsgebouw spreekkoren aanhief - assassine, assassine. De verdachte was dan ook niet zo maar iemand; ze was de echtgenote van de controversiële Joseph Caillaux, minister, leider van de linkse republikeinse Radicale Partij, voormalig premier en een van Frankrijks rijkste, meest roemruchte, machtige en gehate mannen. (Een "demagogisch plutocraat' volgens zijn politieke tegenspeler Aristide Briand.) De conservatieve Figaro had op het moment van de moord een maandenlange campagne tegen hem gevoerd, die onder meer beschuldigingen van corruptie en verraad behelsde. Verdere onthullingen waren aangekondigd.

Was het dan echtelijke solidariteit die mevrouw de trekker deed overhalen? Nou nee, ook dat niet; het is bepaald geen idylle, die oprijst uit de "micro-geschiedenis' van de auteur, de Amerikaanse cultuurhistoricus Edward Berenson. De directe aanleiding tot de fatale schietpartij was de facsimile-publikatie door Calmette op 15 maart van een dertien jaar oude brief (die verder de geschiedenis in zou gaan als de "ton-Jo-brief') van Caillaux aan zijn eerste vrouw, Berthe G. De angel van die publikatie zat 'm erin dat de ondertekening ton Jo onmiskenbaar duidde op enige intimiteit, terwijl de datum boven de brief voor hun huwelijk viel, in de tijd dat Berthe nog getrouwd was met een ander.

VOORUITGANGSGELOOF

The Trial of Madame Caillaux is een fascinerend boek, een mooie antropologische geschiedschrijving waarin het vrouwenstudies-begrip gender echt is geïntegreerd. Via hoofdstukken die elk zijn toegespitst op een van de betrokkenen (de eerste en de tweede mevrouw Caillaux, meneer zelf, het slachtoffer, de rechter) weet Berenson een levendig beeld te schetsen van de sociale, politieke en sekse-relaties (en vooral van de vervlechtingen van die drie) in het Frankrijk van de Belle Époque. Dat die verleidelijke betiteling even hypocriet is als de cultuur en de samenleving waarop zij slaat wisten we natuurlijk al wel. De beerput echter van geheime relaties, bedrog, chantage, seksuele onderdrukking en politieke intriges die hier en detail wordt gereconstrueerd, deed bij mij waarlijk enig vooruitgangsgeloof herleven. De positie van vrouwen is er wellicht toch beter op geworden.

Het is niet zonder reden dat Berenson de positie van vrouwen (of, zoals hij zelf zegt: gender) heeft gekozen als invalshoek voor zijn ontleding van dit proces waarin een vrouw terecht stond voor "een zee van besnorde voyeurs' een compleet mannelijke jury en in eerste instantie tevens een louter mannelijk publiek aangezien de rechter trachtte vrouwen de toegang te ontzeggen. Uit de transcripten, verslagen, tekeningen en cartoons zoals die dagelijks werden gepubliceerd (de pers, zoals Berenson in een mooi hoofdstuk laat zien, was net een massamedium geworden en had een enorme macht), wordt al snel duidelijk dat de hele procesgang onbegrijpelijk is als je de getuigenverklaringen en de argumentaties van verdediging en aanklager niet leest met in het achterhoofd de toenmalige opvattingen aangaande mannelijkheid en vrouwelijkheid, eer en reputatie, huwelijk, overspel en moraal.

SCHIJNHEILIGHEID

Want wat was er nu eigenlijk zo erg aan die ton-Jo-brief? Niet dat Joseph er een matresse op na had gehouden; dat was onder heren van stand gebruikelijk en zelfs gepast. Ongepast was dat je zoiets aan het licht liet komen, al was het maar door een onvoorzichtige daad als zo'n brief. Caillaux - charmant, flamboyant, brutaal en van jongs af aan gewend dat hem in het leven geen strobreed in de weg werd gelegd - was simpelweg te arrogant om zich aan die code te houden. Toen hij eens met vakantie ging met zijn vriend Raymond Poincaré, in 1913 zijn opvolger als premier en de man onder wie Caillaux ten tijde van de moord minister was, hield Poincaré zijn onwettig gezelschap strikt verborgen terwijl Caillaux openlijk rondflaneerde met Berthe aan zijn zijde. Zijn comfortabele afkomst, rijkdom, jeugdige successen en indrukwekkende politieke carrière, maakten dat hij dacht zich alles te kunnen permitteren, maar het doorbreken van de schijnheiligheid van het huwelijkse systeem was een stap te ver. Ook Berthes gedrag leverde hem verlies aan goodwill op. Toen Caillaux haar na haar scheiding had gehuwd (ook al op het randje van het "fatsoen' van toen) kroop zij niet bescheiden weg. En dat met háár verleden. In plaats van te leven naar de ideologie der separate spheres, die in die jaren hoogtij vierde, hield ze ongegeneerd ontvangsten en presenteerde zich als een openbare persoonlijkheid.

Moeten we hieruit concluderen dat Caillaux een soort vrouwenbevrijder was? Integendeel. Hij was een voortdurende flirt en hield het binnen een jaar na zijn huwelijk met Berthe alweer heimelijk met een nieuwe dame: Henriette. En dat brengt ons op háár motieven. Wat was er voor Henriette nu zo erg aan de ton-Jo-publikatie? In elk geval het dreigement dat verdere publikaties zouden volgen. Dat zouden haar eigen brieven kunnen zijn en die betroffen in dit geval zelfs twee gehuwde correspondenten. Zodoende zou Calmette ook haar reputatie bezoedelen en iets ergers kon een vrouw, de moeder van een dochter, niet overkomen.

Als gezegd: de toenmalige opvattingen met betrekking tot de seksen en wat voor hen als het juiste gedrag en gevoel werd gezien, zijn de context waarin we deze gebeurtenissen moeten begrijpen, en de verdachte speelde, al dan niet opzettelijk, perfect in op het morele klimaat. Gesteund door haar man en door haar advocaat, dezelfde die ook Dreyfus en Zola had verdedigd, hield mevrouw Caillaux tijdens haar proces hardnekkig vol dat ze onschuldig was, al was het dan niet aan het lossen van de schoten. Ze was onschuldig omdat ze niet had geweten wat ze deed. Het was een crime passionnel geweest omdat ze was overmand door onbewuste krachten. Een ander had als het ware de trekker overgehaald.

NIET TOEREKENINGSVATBAAR

Dit was een aantrekkelijke verdedigingslinie want nieuwe wetenschappelijke vindingen als hypnose en psycho-analyse hadden de publieke opinie gevoelig gemaakt voor het bestaan van zoiets romantisch als onbewuste drijfveren en onstuitbare impulsen. Wie aannemelijk kon maken even niet toerekeningsvatbaar te zijn geweest vond bij een jury meestal een welwillend oor.

Vooral vrouwen werden geacht makkelijk te worden gegrepen door irrationele emoties, want mannen, aldus Berenson, wilden in die tijd van een aan macht en invloed winnende vrouwenbeweging maar al te graag het idee bevestigd zien dat vrouwen zwak waren, overgeleverd aan hartstocht. Een dame wier eer op het spel stond doordat ze zich in de liefde te veel had laten gaan, mocht rekenen op hoffelijke bijstand mits ze er blijk van gaf voortaan niets liever te willen dan een keurige bourgeoise te zijn, angstig voor eer en goede naam, verslingerd aan huis, man en kinderen, onwetend van wat zich buiten haar heiligdom afspeelde en zeker onwetend van zoiets mannelijks als politiek.

Het was echter tegelijk een zwakke verdedigingslinie, want alle gebeurtenissen van 16 maart wezen op koelbloedige planning, precies dus op hetgeen une vraie femme niet zou doen: had niet mevrouw die dag een revolver gekocht, in de winkel geoefend en het apparaat laten laden; had ze niet zelfs een briefje op tafel gelegd waarin ze haar man aankondigde dat hij zijn voornemen om Calmette het zwijgen op te leggen kon laten varen, want dat zij al op weg was? Was niet, meende de advocaat van de tegenpartij, uit alles duidelijk dat hier een onvrouwelijk wezen, une hommesse, une neutre, wellicht zelfs een feministe, ijskoud en met voorbedachten rade een moord had beraamd?

TWEE KAMPEN

Het proces, waarin de hele Franse politieke en sociale elite figureerde, verdeelde de natie in twee ideologische kampen: ter rechterzijde degenen die van Caillaux afwilden. De minister van financiën had een voorstel voor inkomstenbelasting gedaan dat door de bezittende klassen ongeveer als de socialistische revolutie werd afgeschilderd èn hij voelde weinig voor een oorlog met Duitsland. Hij was bovendien als gescheiden man, hertrouwd met een gescheiden vrouw, een aantrekkelijk doelwit voor de wraakbeluste reactionaire katholieken, die bij de recente echtscheidingswetgeving (waarover eind negentiende eeuw langdurig was getwist) enigszins terrein hadden verloren aan degenen die, behalve vrijheid op dat gebied, een verdergaande scheiding van kerk en staat wensten (Dit nog afgezien van de invloed van antisemitisme en Dreyfus-affaire.).

Dat rechterkamp zag de moord als een geraffineerde echtelijke zet om de carrière van het politieke zondagskind te redden door de schadelijke onthullingen te stoppen. En schadelijk waren de onthullingen, want Calmette en zijn medestanders wisten trefzeker te suggereren dat wie in intieme affaires "onbetrouwbaar' is, een gevaar vormt voor het vaderland en de sociale orde. Zij maakten van de Caillaux een verdorven stel dat de juiste gender-verhoudingen uit het oog had verloren - madame had met haar Browning een politieke (dus mannelijke) daad verricht en monsieur had, door Calmette niet tot een duel uit te dagen, getoond een onwaardige (want slappe, dus verwijfde) minister te zijn voor een land dat op het punt van oorlog stond.

Wat het republikeinse en seculiere kamp betreft: daar werd Henriette als een slachtoffer beschouwd, dat met andere maatstaven moest worden gemeten dan mannen. Ze was, zei men haar na, buiten zinnen geraakt nadat Calmette haar zenuwen maandenlang danig op de proef had gesteld.

Berenson maakt haarfijn zichtbaar dat de opvattingen over gender links en rechts niet zoveel verschilden. Het beeld van vrouwen als onmondigen, slechts (of: bij uitstek) geschikt voor de verzorging van man en kinderen, had bij alle politieke richtingen de overhand. De Franse revolutie had de gelijkheid van mensen opgevat als de gelijkheid van mannen, en had vrouwen van al hun rechten beroofd en naar het huishouden verwezen: zij hadden geen stemrecht, geen recht op inkomen of bezit, geen zeggenschap over hun kinderen (en ze mochten geen gerechtelijke procedures aangaan dus moesten ze, zou je kunnen zeggen, soms wel schieten).

FATSOENLIJKE HUISMOEDER

Het verschil tussen links en rechts was niet gelegen in opvattingen over "echte' vrouwen, maar in het antwoord op de vraag of mevrouw Caillaux er zo een was. Waar de Figaro trachtte Henriette op het schavot te krijgen door in de verslagen haar (mannelijke) kalmte en welbespraaktheid te benadrukken, kon het publiek bij de linkse pers lezen dat ze huilde en, overweldigd door haar lijden, haast niet tot antwoorden in staat was. En waar de advocaat van de familie Calmette haar afschilderde als een overspelige vrouw, een hoer, een matresse die het had gewonnen van een wettige echtgenote, benadrukten zijzelf, Joseph en de verdediging, dat het feit dat ze er een moord voor over had om te voorkomen dat haar brieven openbaar zouden worden, bewees dat ze een door en door fatsoenlijke huismoeder was.

Berensons spannende thick description - via het proces - van het politieke en culturele klimaat van de Derde Republiek maakt duidelijk dat het conservatieve verlangen naar een nieuwe Frans-Duitse oorlog alles te maken had met de veranderingen die zich de laatste decennia van de negentiende eeuw voordeden in de verhoudingen tussen de seksen (Zijn boek is wat dat aangaat het tweelingbroertje van Sexual Anarchy (1991) waarin Elaine Showalter op analoge wijze de bloei van de "mannenroman' in Engeland van het fin-de-siècle verklaarde.).

De situatie van vrouwen was in die eeuw slecht geweest, maar daar begon verandering in te komen. Vrouwen kregen enige toegang tot de Sorbonne, enig recht op inkomen en enige kans op scheiding. Weinig, maar al veel te veel in de ogen van degenen die elk recht dat vrouwen verwierven zagen als een aanslag op hun eer en viriliteit. Mannelijkheid en vrouwelijkheid werden gedefinieerd in relatie tot elkaar: waar vrouwen niet vrouwelijk waren (lees: niet ondergeschikt), waren mannen niet mannelijk. En een land dat zijn vrouwen niet op hun plaats wist te houden, zou zeker op het slagveld nederlagen lijden.

Door veel conservatieven waren de nederlaag tegen Duitsland en het pijnlijke verlies van Elzas-Lotharingen (1871) geïnterpreteerd als een verlies van nationale masculiniteit. In datzelfde denkklimaat passen de Olympische gedachte (slechts voor mannen) van Pierre Baron de Coubertin en de hausse in boeken over enerzijds de etiquette van het duelleren, anderzijds de vrouwelijke psyche en het ware huisvrouw- en moederschap.

Vrouwenemancipatie maakte mannen impotent en impotentie was wel het laatste dat een land in oorlogstijd kon gebruiken. Omgekeerd zou een oorlog de Franse mannelijkheid en de juiste genderverhoudingen kunnen herstellen. Meneer Caillaux ondermijnde met zijn vrijgevochten levenswijze het gezin; mevrouw had door zelf het heft in handen te nemen de mannen van hun eer beroofd; gezamenlijk waren zij een gevaar voor ideologieën (als katholicisme en monarchisme) waarin gezin en natie als elkaars voorwaarden worden gezien.

VRIJHEID

Zij moesten vallen en dat gebeurde dan ook, al werd Henriette, na dagen van spanning en sensatie, demonstraties en dreigementen, door de jury vrijgesproken. De brieven die zij al schietend geheim had willen houden, werden als ontlastend bewijsmateriaal voorgelezen. Dat miste zijn uitwerking niet: het maakte Josephs terugkeer in het kabinet onmogelijk maar betekende Henriettes vrijheid.

Haar vertolking van de vrouwelijke vrouw bereikte een hoogtepunt toen haar advocaat was aangeland bij de zin waarin Joseph aankondigde haar geliefde lichaam met duizend kussen te zullen overdekken. Henriette trok wit weg en viel flauw.