De stroperige stad; Stedebouwkundige Yap Hong Seng over de IJ- oevers en de polycentrische metropool

De stedebouwkundige Yap Hong Seng is gekant tegen de uniforme wijze waarop veel Nederlandse wijken zijn gebouwd. Hij prijst de oorspronkelijkheid van de bouwplannen voor de Amsterdamse IJ-oever, maar aarzelt over de kansen van het ambitieuze project. Volgens Yap kan Amsterdam zich een tweede "toplocatie' niet permitteren. Bovendien groeit de twijfel van de beleggers, die volgens hem ten onrechte menen dat het project goed is voor de "doorbloeding' van de Amsterdamse binnenstad.

Een stad is niets anders dan een weerspiegeling van menselijke verhoudingen. Als mensen ergens niet willen zitten, dan ontstaat er ook geen stad. Een stad heeft dus altijd zijn roots, zit vast aan mensen. Zo zal het ook met de IJ-oevers moeten gaan. Het is een uiterst ingewikkeld project. Het ligt marginaal ten opzichte van de rest van de Randstad, het is moeilijk bereikbaar en bovendien moet het concurreren met al die spiegelpaleizen aan de zuid-as van Amsterdam.''

Yap Hong Seng (1944) staat in de wereld van de stedebouw bekend als een Macher, een regelaar die achter de schermen tal van projecten heeft gestuurd of op z'n minst beïnvloed. Bij de IJ-oevers is hij uit hoofde van zijn vak alleen als geïnteresseerde toeschouwer betrokken. Tot 1989 was hij een van de directeuren van de Rijksplanologische Dienst (RPD) en sindsdien heeft hij een zelfstandig adviesbureau. Die beslissing had met de komst van zijn twee kinderen te maken. Het was voor hem een fundamentele keuze: tegen de carrièrestroom in, vóór het huismanschap. Desalniettemin doet zijn curriculum vitae de argeloze lezer nog steeds duizelen: bestuurslid van het Nederlandse Architectuurinstituut (NAi), directeur van het Berlage Institute, adviseur van diverse gemeenten, bestuurslid van het Forum Stedelijke Vernieuwing, enzovoorts, enzovoorts. Geen instantie, instelling, lichaam of orgaan op het gebied van stedebouw in Nederland of Yap lijkt er een rol in te spelen. Yap, en niet Hong Seng, omdat bij Chinese namen de familienaam als eerste wordt genoemd.

Midden in de heftige jaren zestig studeerde Yap bouwkunde in Delft. ""Het ging er ouderwets aan toe, met docenten die ons voornamelijk gebruikten om hun dromen te tekenen. Nu is het er nog slechter, je mag als student niet eens meer dromen.'' Hij raakte betrokken bij de stadsvernieuwing - hoewel dat woord nog niet eens bestond - in een negentiende-eeuwse wijk van Amsterdam, de Spaarndammerbuurt. Daar merkte hij dat hij ondanks een bijna voltooide opleiding bouwkunde nog niet in staat was om een normale, betaalbare woning voor die mensen te bouwen. ""Je leerde op de TU alleen ontwerpen, niet bouwen.

""In Nederland worden vrijwel alle bouwopdrachten gegeven door een kleine groep, misschien één promille van de bevolking. Maar door mijn buitenlandse afkomst had ik geen kruiwagens om aan werk te komen. Ik had geen oma of tante voor wie ik een huis kon bouwen. Het was duidelijk dat ik me via baantjes als tekenaar op bureaus moeizaam zou moeten opwerken. En dan nóg zou ik afhankelijk zijn van die kleine elite die opdrachten geeft.''

Toen hij kort na zijn afstuderen in '71 gevraagd werd mee te werken aan een structuurplan voor de binnenstad van Groningen stapte hij definitief over naar de stedebouw.

U bent als onafhankelijke stedebouwkundig adviseur verbonden aan een groot aantal gemeenten in Nederland zoals Tilburg, Groningen en Utrecht. Heeft u daarbij een beeld van een ideale stad in het achterhoofd?

""Het adviseren over steden is net zoiets als kleding op maat maken: een stad heeft net als een persoon nu eenmaal een bepaald postuur en een bepaalde geschiedenis. Maar net als met mensen bestaat er geen stad die geen kleren aan hoeft. Ik heb geen verlangen om een stad vanuit het niets op te bouwen: een stad is tenslotte niets meer of minder dan een gestolde vorm van de samenleving.

""Als je wat van stedebouw en architectuur weet, kun je al lopend de geschiedenis van een stad aan zijn straatbeeld aflezen. Zeer geleidelijk zie je het panorama verschuiven. Mensen en bedrijven verhuizen gemiddeld om de zeven à tien jaar. Gebouwen hebben een levensduur van ruim honderd jaar. Straten gaan nog veel langer mee. De gebouwde omgeving is dus altijd veel stroperiger dan de samenleving.

""Mensen blijken zo een hoogstpersoonlijk beeld van de stad, hun stad, in hun geheugen op te slaan. In zowel Groningen als Maastricht hebben we ruim honderd mensen gevraagd om uit te tekenen wat voor hen in de stad belangrijk was. Als je al die plattegronden over elkaar heen legt, zie je een gemeenschappelijk patroon. Je ziet waar de mensen sterk aan verankerd zijn. Mensen kennen hun stadshart vaak beter dan hun eigen lichaam.

""De stedebouw van Berlage is daarom zo knap omdat het daarop inspeelt. Berlage heeft iets tijdloos. Voor Plan-Zuid ontwierp hij een stratenpatroon met een duidelijke hiërarchie van hoofd- en zijstraten met daaraan een vrij grootschalig bebouwing. Maar het was flexibel, het kon met de tijd meegaan zonder zijn karakter te verliezen. De latere generatie rationalistische stedebouwers, met Cor van Eesteren voorop, hemelden daarentegen de grid op, een anoniem stelsel van wegen waar de hoofdstraten niet meer zijn dan de plaatsen waar de bussen en auto's doorheen rijden.

""Als je in Gliphoeve zit heb je geen idee waar Kraaienest is. Die dunne soep van woningen met plantsoentjes in de Bijlmer zie je ook in een groot deel van Slotervaart en Slotermeer. Dat vind ik een vorm van pseudo-socialisme waar de stedebouw nu gelukkig van af stapt, weer terug richting Berlage. Die herken ik nu ook in het plan van Koolhaas voor de IJ-oevers: de hang naar plekken die je kunt zien, herkennen, benoemen. Plekken die van elkaar durven verschillen.''

Het IJ-oeverproject begon op dezelfde argeloze manier als de loopbaan van Yap Hong Seng. Aanvankelijk was het louter een speelse prijsvraag, waarbij een aantal architecten werd gevraagd om eens iets te bedenken rond die lege oevers achter en naast het Centraal Station. De een wilde er een soort park scheppen, waar je kon lopen en flaneren. Een ander had er een hele Manhattan-achtige toestand van gemaakt. Deze vingeroefening voor architecten liep echter uit de hand toen PvdA-wethouder Van der Vlis visioenen kreeg van een vijftien kilometer lange "IJ-as'. Toen werd het menens.

Yap: ""Het IJ-oeverplan kan je niet los zien van Amsterdam in zijn totaliteit, en Amsterdam kun je niet los zien van de Randstad. Dat is een polycentrische metropool, net als bijvoorbeeld Los Angeles, waarbinnen ieder gedeelte een duidelijke specialisme heeft. Voor Amsterdam is dat de cultuur, de financiële wereld en Schiphol als belangrijk distributiecentrum. In een eenduidige metropool liggen al die functies bijeen. Maar in een metropool als de Randstad moeten mensen, als ze iets met elkaar willen, al gauw de trein of de auto in. Er is, met andere woorden, een sterke infrastructuur nodig van spoor- en autowegen.

""Op die manier is het te verklaren dat er in Amsterdam Zuid-Oost, een gebied dat nooit is bedoeld als een typische werklocatie, een opeenhoping van kantoren is ontstaan, net als trouwens in Amstelveen, Hoofddorp en Zoetermeer. Het zijn stuk voor stuk gebieden die voor al deze noodzakelijke vervoersbewegingen uiterst gunstig liggen, en die daar dan ook ten volle van geprofiteerd hebben, dikwijls tegen de wil van de planners in.

""Het omgekeerde is het geval bij de Rotterdamse Kop van Zuid, Scheveningen en de IJ-oevers. Dat zijn gebieden waar de gemeentebesturen wel van alles tot stand willen brengen, maar ze liggen aan de buitenkant van de Randstadring - en dat kan een brug te ver blijken.

""Amsterdam kan zich geen twee zogenaamde toplocaties permitteren. Aan de Zuidkant breidt de RAI zich almaar uit, ABN/AMRO gaat zich er vestigen, misschien zelfs de Internationale Nederlanden Groep (ING), de belangrijkste financier van het IJ-oeverproject. Gaandeweg heeft zich zo bij de stad al een toplocatie gevormd. Zuidoost is overigens alles behalve prachtig. Het Grondbedrijf en de afdeling Economische Zaken hebben het daar voor het zeggen gehad en ze hebben er een soort Duckstad van gemaakt: percelen zonder trottoirs waar ieder bedrijf zijn eigen spiegelende toeter mag neerzetten en een stukje groen om op te parkeren.''

De maquette van het nu gepresenteerde plan-Koolhaas ziet er compleet anders uit dan het beeld dat de gemeente vorig jaar wilde oproepen met haar "Nota van Uitgangspunten'.

""Dat is ook zo. Maar het woord zegt het al: een "Nota van Uitgangspunten' is een nota van uitgangspunten, het is geen ontwerp. Na die nota is pas goed de mogelijke capaciteit van het ontwerp uitgerekend, in verhouding tot de kosten. Daar moet een zeker evenwicht in worden geschapen. Het bouwen aan de IJ-oevers is een kostbare zaak. Alleen door hogere en grotere gebouwen neer te zetten kan er nog enige winst op gemaakt worden. Dat doet Koolhaas dan ook in zijn plan. Kijk maar naar het PTT-eiland: daar wil hij een hoge en dichte bebouwing, bijna een klein Manhattan. Ik vraag me trouwens af of al die honderdduizenden vierkante meters zijn gebaseerd op enig marktonderzoek. Pal naast het gebouw van het Atrium in Amsterdam-Zuid, de beste kantoorlocatie van Nederland, staan op dit moment nog duizenden vierkante meters leeg. Hoeveel zullen er dan wel niet leeg blijven staan in het IJ-oevergebied?''

Ik wil u twee "worst-case-scenario's' voorleggen. Eén: het IJ-oeverproject gaat niet door. Twee: het IJ-oeverproject gaat wel door.

""De kans op het eerste scenario is redelijk groot. De kantorenmarkt is verzadigd, en tegelijk daalt de economische groei. De grote investeerders beleggen op dit moment hun geld dan ook liever in obligaties dan in onroerend goed.''

De gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening is op dit moment bezig met een bestemmingsplan voor het gebied, en dat zal er vermoedelijk heel anders gaan uitzien dan het plan-Koolhaas. De gemeenteraad zal zo binnenkort moeten kiezen: gaan we ons bestemmingsplan aanpassen of houden we onze rug recht. De beleggers sturen ondertussen aan op een rechtstreekse botsing met de gemeente. Als de zaak breekt, krijgt de stad Amsterdam de zwarte piet. En aan de IJ-oevers blijft het bij gras, rotte palen en verlaten rangeerterreinen.

""Als de zaak breekt is dat natuurlijk schadelijk voor de geloofwaardigheid van Amsterdam. Maar, dat moet ik erbij zeggen, beide partijen hebben boter op hun hoofd. Beide partijen wisten hoe snel en sterk de Zuid-as zich ontwikkelde. Beide partijen wisten dat wat ze wilden, tegen de ontwikkelingstrend van de Randstad inging. Beide partijen wisten dat het risico dat het economische tij zou keren, reëel was. Dat is hen de afgelopen jaren door menigeen verteld en beide partijen hebben hun ogen gesloten gehouden voor deze ontwikkelingen. En nu ze er werkelijk mee geconfronteerd worden, zie je dat ze de vormgeving van Rem Koolhaas als smoes gaan gebruiken om er onderuit te komen.''

Nu het tweede "worst-case-scenario': het IJ-oeverproject gaat wél door. De gemeente durft de breuk niet aan en accepteert onder veel gesputter het plan. Uit het plan-Koolhaas halen de beleggers de "snelle winstmakers' en de rest schuiven ze op de lange baan met de slechte economische situatie als excuus. De IJ-oevers worden een lelijk, mens-onvriendelijk, onsamenhangend stuk stad.

""Dat risico bestaat altijd. In Utrecht wil de gemeente de Catharijnesingel weer herstellen. De kosten daarvan moeten uit het Utrecht-City-project komen. De beleggers hebben de neiging dit onderdeel van het plan zo ver mogelijk naar achteren te schuiven. Als gemeente moet je op dit soort zaken inderdaad zeer alert zijn. Je moet je verzekeren van de bijstand van uitstekende onderhandelaars. En als je die zelf niet hebt, zoals in Amsterdam op dit moment het geval is, dan moet je ze inhuren. Alleen hebben de Amsterdammers ook dat nagelaten.

""Overigens denk ik dat de gemeente Amsterdam het niet zo snel zal laten afspringen. Ik twijfel meer aan het commitment van de beleggers. Die moeten zich vastleggen op een project voor vijftien of twintig jaar, met alle risico's van dien, met een op dit ogenblik verzadigde markt. Elke mogelijkheid om er tussen uit te knijpen zullen ze met graagte aangrijpen. Maar aan de andere kant willen ze voor geen goud de zwarte piet toegespeeld krijgen. Dat zou namelijk betekenen dat ze in geen enkele grotere stad meer terecht kunnen.''

Hadden ze er ooit aan moeten beginnen?

""Ja, als het schip begint te zinken kun je je altijd afvragen of je wel had moeten varen. Er is een proces in gang gezet, met alle menselijke zaken die daarbij horen: macht, prestige, noem maar op. En dat maakt dat men heel moeilijk meer terug kan. Het Rijk zal in zijn vuistje lachen want het hoeft geen miljarden voor Amsterdam op tafel te leggen. Alle andere steden zullen hoera roepen, want er komt meer geld voor hen vrij. Het zal jaren duren voordat de reputatie van Amsterdam enigszins hersteld zal zijn. En het grote probleem zullen de IJ-oevers zelf worden, het zal lange tijd besmet gebied blijven voor iedere investeerder.''

Wat vindt u van Koolhaas' uitgangspunt: de IJ-oevers zijn een apart gebied en moeten als zodanig behandeld worden?

""Het verhaal van de gemeentelijke Nota van Uitgangspunten was archaïsch. Het idee was dat er aan de zuidkant van de stad van alles gebeurde en dat er aan de noordkant ook iets ontwikkeld moest worden, om te voorkomen dat de binnenstad zou leegstromen. Via het IJ-oeverproject zou er een soort nieuwe doorbloeding ontstaan van de binnenstad.

""Ik heb daar nooit iets van geloofd. Ik trek met de metro, de tram, de trein, de auto en de fiets door Amsterdam, maar niet lopend of met een ossewagen. Als ik van de IJ-oevers naar Zuid reis, ga ik altijd om de binnenstad heen. Zo'n project verandert daar niets aan. Ik zou wel gek zijn als ik iedere keer dwars door die grachtengordel zou banjeren. Ik ga langs de randwegen, via de ringlijn, of, in de toekomst, eronderdoor, en ik stap uit waar ik moet zijn. De waarde van dat verhaal van die doorbloeding is, kortom, maar betrekkelijk.

""Een andere vraag is of de schaal van de plannen wel aansluit bij de schaal van de binnenstad. Ook daarvan zeg ik: dat valt wel mee. Er zit behoorlijk wat water tussen. En water is een bindend element, maar ook een scheidend: je moet altijd een brug zoeken om eroverheen te kunnen. En hier in Amsterdam is die scheiding helder genoeg om daar andere schalen tegenover te kunnen zetten. Bovendien is het echt niet zo dat je nu opeens een dichte muur achter het station krijgt. Je kunt je afvragen of de skyline niet te lelijk wordt. Maar de discussie of de stad wel of niet van het IJ moet worden afgesloten was rond 1870 al gaande, toen men plannen maakte voor de bouw van het Centraal Station. En dat is nu, op precies dezelfde manier, weer de vraag.''

Maar dat verhaal van de doorbloeding was altijd hét motief waarop het IJ-oeverplan aan de Amsterdammers is verkocht. De IJ-oevers moesten er komen, anders zou het op den duur mis gaan met de binnenstad.

""Het klopte gewoon niet, dat verhaal. De IJ-oevers vormen een apart stukje stad. Ze zijn zowel centraal als perifeer. Er wordt voortdurend gesproken over "toplocaties'. Alleen vraagt niemand zich af wat dat eigenlijk zijn en waar die term vandaan komt. Welnu, dat begrip komt uit de wereld van de makelaars en de projectontwikkelaars. Maar voor iedereen kan een toplocatie iets anders zijn. Voor een componist of een journalist is de Amsterdamse binnenstad een toplocatie, voor een internationale zakenman is het Amsterdam-Zuid, omdat hij daar vlakbij de andere grote steden zit en binnen een kwartier op Schiphol kan zijn. De absolute toplocatie bestaat eenvoudig niet.

""Het probleem van Amsterdam is dat de vraagstelling altijd omgekeerd gesteld wordt. Er zijn nogal wat grote, infrastructurele werken waar Amsterdam sowieso aan moet beginnen, onafhankelijk van de vraag of de IJ-oevers er nu wel of niet komen. Er moet een noord-zuid-lijn van de metro komen. Dat geldt ook voor de oost-west-autoweg. En dan is het veel voordeliger om dat in het kader van zo'n IJ-oeverproject te doen. Er moet, kortom, best wat aan het IJ gebeuren, maar niet omdat daar de binnenstad zoveel beter van zal worden. Ik ben overigens niet de eerste of de enige die dit al jaren tegen de Amsterdamse bestuurders heeft verkondigd.''

U gedijt achter de schermen, dat is duidelijk.

""Dat heeft te maken met mijn opvoeding in het confucianisme. Dat leert dat terughoudendheid en bescheidenheid een deugd zijn. Bovendien krijgt in een Chinees gezin de oudste zoon de leidende rol, en ik ben het derde kind. Mijn broer is inderdaad dominant en ik heb altijd in zijn schaduw geleefd. Zo heb ik geleerd dat je in de luwte beter kunt functioneren. Ik let meer op netwerken en structuren in plaats van mijn heil te verwachten van kopstukken en klappers.

""Het viel me dan ook niet zwaar om mijn baan als directeur bij de Rijksplanologische Dienst op te geven en een eigen bureau te beginnen. Mijn huis was bijna klaar, we kregen kinderen, de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening was bijna klaar... Ik had het gevoel dat ik de zekere fase afsloot van die opgaande carrièrelijn. En ik merkte de nadelen ook, bijvoorbeeld dat ik gebureaucratiseerd raakte, dat ik mijn fingerspitzengefühl voor de stad dreigde kwijt te raken. Mijn vriendin ging juist heel goed in haar carrière, dus besloten we die voorop te stellen. Weinig mensen begrepen mijn beslissing, maar toen iemand tegen me zei: "Je moet wel aan je pensioen denken!', wist ik dat ik de juiste stap zette.''

Toch bent ook u door en door Nederlander, maar met "roots' in een andere cultuur.

""Ik woon nu al het grootste deel van mijn leven in Nederland - ik heb op dezelfde Nijmeegse jezuïeteninternaat gezeten als Lubbers - maar ik ben en blijf Chinees. Mijn zoontjes voed ik niet op volgens de principes van het confucianisme. Wel hebben we ze Chinese namen gegeven, dus als ze zich later voor hun afkomst interesseren is die link al gelegd. Hun namen, Ingsen en Inglee, zijn door mijn moeder gekozen. Zij is daarvoor naar de tempelhouder gegaan en hij heeft stokjes gegooid. Hun bijnamen daarentegen, Tinco en Enzo, komen uit het Gronings dialect. Dat heeft weer met de achtergrond van mijn vriendin te maken.

""Mijn uiterlijk heeft me soms vreselijke problemen bezorgd. Toen Molukkers bij Beilen een trein hadden gekaapt werd ik in Zwolle uit de trein gehaald en tegen de grond gesmakt. Tegen die agent zei ik: "Los van wat u mij als burger aandoet, beledigt u mij ook nog als Chinees. Voor ons zijn de Molukkers NSB'ers, u beschouwt mij dus ook als NSB'er.'

""Ik ben ook ooit door een oudere dame op straat ineens bespuugd, zo, zonder enige aanleiding. De Nederlandse douane heeft mij een keer in de trein volledig uitgekleed, puur op grond van mijn uiterlijk omdat ze dachten: Ha, Chinees, heroïne! En toen ik een aantal jaar geleden Nederland vertegenwoordigde op een bijeenkomst van de OECD in Japan konden de Japanners het nauwelijks verkroppen dat een Westers land een Chinees stuurde. Dat lieten ze overduidelijk merken.

""Het ergste incident had niet eens met mij persoonlijk te maken. Dat was een uitspraak van CDA-kamerlid Mateman, die op het hoogtepunt van de Taiwanese duikbootaffaire sprak over "seniele spleetogen'. In dezelfde periode kreeg hij een lintje wegens tien jaar zitvlees in de Tweede Kamer. Dat lintje wordt dus geassocieerd met dat stoere racistische praat. Voor mij staat zoiets niet ver af van de affaires die zich nu in Duitsland afspelen.

""Voordelen heeft het ook, als je zo'n halve buitenstaander bent. Je krijgt een zelfbewuste houding over je cultuur en je nationaliteit. Bij het opstellen van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening merkte ik dat de Nederlanders helemaal niet gewend zijn om aan de sterke punten van dit land te denken. Als ik aan mijn collega's de toch vrij normale vraag stelde hoe we hier zo rijk en welvarend waren geworden, dan wisten ze het werkelijk niet. Zo ongeveer ben ik toen die nota begonnen: "Nederland heeft een grote traditie in de handel, distributie, en het maken van half-produkten.' Als buitenstaander heb je blijkbaar meer vrijheid om daar gewoon trots op te zijn.''