DE HACHELIJKE VAART OP OOST-INDIË

Hollandia Compendium, a contribution to the history, archeology, classification and lexicography of a 150 ft. Dutch East Indiaman (1740-1750) redactie B. Kist, J. Gawronski en O. Stokvis-van Boetzelaar 540 blz., geïll., Elsevier Science Publishers en het Rijksmuseum 1992, f 280,- ISBN 0 444 89415 2

"Met geen drooge oogen om tesien'. De ondergang van het VOC-retourschip 't Vliegend Hart in 1735 door A.J. van der Horst 80 blz., geïll., De Bataafsche Leeuw 1991, f 29,90 ISBN 90 6707272 9 Batavia. De terugkeer van een retourschip door P. Gretler, R. Parthesius, A. van der Zee 112 blz., geïll., Sdu-uitgeverij 1991, f 27,90 ISBN 90 12 06873 8

Batavia. De herbouw van een Oostindiëvaarder redactie R. Parthesius 64 blz., geïll., Batavia Cahier 3. Uitg. Stichting Nederland bouwt VOC-retourschip, 1991, f 15,- ISBN 90 73857 03 1

Echt relaas en dagverhaal, wegens de opstand en het afloopen van 't Oostindisch Compagnie-schip Nijenburg door Nienke de Jonge, Leonoor Kuijk en Liesbeth Oskamp, red. 98 blz., geïll., Terra Incognita (p/a Instituut voor Neerlandistiek, Spuistraat 134 1012 VB Amsterdam) 1992, f 17,50 ISBN 90 73853 03 6

Harde heelmeesters. Zeelieden en hun dokters in de 18de eeuw door A.E. Leuftink 253 blz., geïll., Walburg Pers 1991, f 39,50 ISBN 90 6011 736 0

De nadagen van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1783-1795. Schepen en zeevarenden door I.G. Dillo 304 blz., geïll., De Bataafsche Leeuw 1992, f 39,90 ISBN 90 6707 296 6

De Compagnie gaat nooit verloren. Dat zou het motto kunnen zijn van een lange bibliografie van studies over de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). De laatste vijftien jaar heeft de belangstelling zich verhevigd, wat zijn weerslag vindt in een groot aantal publikaties, die variëren van poefschriften tot tentoonstellingscatalogi en van bouwplaten van Oostindiëvaarders tot VOC-wandelingen. Die belangstelling heeft vanuit vier centra sterke impulsen ondergaan: de beoefenaars van maritieme geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Leiden, verschillende onderzoekers in Azië die de koloniale periode niet langer als een te negeren zwarte bladzijde opvatten, de scheepsarcheologie, zoals die bedreven wordt van de Westerschelde tot aan de Chinese Zee en ten slotte de bouw van reconstructies van Oostindiëvaarders. Dit betekent dat de Compagnie op verschillende niveaus en vanuit afzonderlijke disciplines benaderd wordt.

Het fascinerende van de geschiedenis van de Compagnie is dat zij als onderzoeksobject mogelijkheid biedt tot zoveel benaderingen. Was die aanvankelijk geconcentreerd op de koloniale geschiedenis met economische, juridische en militaire aspecten, inmiddels is daar de archeologie bijgekomen, de sociale geschiedenis met aandacht voor leven aan boord en op de verschillende handelsposten, de medische verzorging en ook een veel verfijnder kwantitatieve benadering van de scheepvaartbewe-gingen en de handelsstromen. Als jongste loot is de vrouwengeschiedenis aan de VOC-stam ontsproten. Over vrouwen verkleed als matroos en vrouwen die een cruciale rol speelden bij het werven van zeelieden, zijn al enkele publikaties verschenen.

Hollandia Compendium, a contribution to the history, archeology, classification and lexicography of a 150 ft. Dutch East Indiaman (1740-1750). door B. Kist, J. Gawronski en O. Stokvis-van Boetzelaar (red.)

540 blz., geïll., Elsevier Science Publishers en het Rijksmuseum 1992, f 280,--

ISBN 0 444 89415 2

Het merkwaardigste boek dat in de VOC-stroom verscheen is het Hollandia Compendium. Het is de neerslag van vijftien jaar onderwaterarcheologie, toegespitst op het onderzoek naar VOC-wrakken, in het bijzonder op dat van de Hollandia, vergaan in 1743 op de heenreis bij de Scilly Islands. Het volumineuze in oblong-formaat uitgegeven boek bestaat uit vier onderdelen. Deel 1 is een theoretische verhandeling over onderwaterarcheologie. Deel 2 behandelt de scheepsbouwpolitiek van de VOC in de jaren veertig, toen er geëxperimenteerd werd met grotere schepen. Deel 3 biedt een gellustreerd lexicon van de inventaris van een 18de-eeuwse Oost-Indiëvaarder en het laatste en grootste deel is een eveneens gellustreerde catalogus van alle vondsten van de Hollandia.

De onderwaterarcheologie bevindt zich tussen twee polen: commerciële schatgraverij en wetenschappelijk onderzoek. In zijn inleidende bijdrage schrijft Gawronski hoe die laatste pool zich het afgelopen anderhalve decennia heeft ontwikkeld. Allereerst in technisch opzicht. Gawronski koppelt de techniek van het onderwateronderzoek aan een theoretische benadering enpleit voor een gentegreerd historisch-archeologisch onderzoek, zoals dat bijvoorbeeld bij de stadsarcheologie al langer gebruikelijk is. De interpretatie van het vondstcomplex en van de afzonderlijke objecten is alleen zinvol wanneer ook bronnenmateriaal uit archieven (archiefstukken en beeldmateriaal) en de kennis die andere disciplines leveren, zoals botanie, farmacie en oude-pijpenkunde. In enkele gevallen heeft dat al vruchtbare resultaten opgeleverd op het gebied van de scheepsconstructie, de lading, de verpakkingsmethoden en de persoonlijke bezittingen der opvarenden.

Het derde deel van dit boek is eigenlijk een blauwdruk van een 18de-eeuwse Oostindiëvaarder. Uitgaande van de zogenaamde equipagelijsten, gedrukte lijsten die gedetailleerd vermelden welke roerende voorwerpen aan boord dienden te zijn, is een zo compleet mogelijke inventaris opgesteld, gerubriceerd naar functie. Deze bevat dus niet alleen beschrijvingen van onderdelen die iedereen bij het woord zeilschip te binnen zullen schieten, zoals zeilen, ankers en touwwerk, maar de inhoud van de medicijnkist, de reserveonderdelen, koksgerei en wapens, bij elkaar honderden voorwerpen.

Het laatste deel van het Compendium vormt de hoofdmoot. Dit geeft een beschijving en een afbeelding van de vondsten uit de Hollandia. Hier is werkelijk niets over het hoofd gezien. De kanonnen, de kogels, de mesheften en de wijnflessen staan beschreven, maar ook elk scherfje, spijkertje tot en met een stukje pek, dat als laatste vermeld staat onder vondstnummer 80 (H1619)

Het boek waarin een reusachtige hoeveelheid werk voor verzet moet zijn roept twee vragen op: voor wie is het bedoeld en hoe praktisch is het? Wanneer het is bedoeld voor elke VOC-genteresseerde, dan is het onnodig duur, dik en ontoegankelijk. Dan zou men het veel beter hebben kunnen laten bij de eerste drie delen: twee goede inleidende artikelen en een, zij het niet onmiddellijk te doorgronden lexicon. De archeoloog heeft hier iets aan, het leert hem wat hij mogelijk kan aantreffen bij het wrak van een 18de-eeuwse Oostindiëvaarder. Ook de historicus en de bezorger van scheepsjournalen kan hier in principe vinden wat een bruyneer-staal is en hoe dat ding eruit zag. De korte definities, de uitleg van de functies en de heldere tekeningen zijn voortreffelijk. Deel 4 daarentegen heeft een ander karakter. Dat is geen naslagwerk, maar de neerslag van een onderzoek, een uitputtende verantwoording van de opgravingen bij één schip. Daar ziet men gefragmenteerde en verkreukelde tinnen kroesjes. Alleen wie in de Hollandia genteresseerd is heeft hier iets aan. Hij kan de vondsten ook direct vergelijken met de in deel 3 omschreven standaarduitusting. Aangezien dit deel meer dan de helft van het boek uitmaakt lijkt me dit ook commercieel gezien een onhandige combinatie. Kleinere bezwaren gelden de afwezigheid van Nederlandse indices. Wie nu een barkasroerhaakje wenst op te zoeken, omdat hij dat in een tekst tegenkomt moet ofwel deel drie doorbladeren tot hij het tegenkomt, òf het Engelse equivalent in een woordenboek opzoeken en dit dan in de index naslaan. Ook de explicaties van het want en de zeilen zijn alleen Engelstalig; met enig geblader kan men een deel van de Hollandse benamingen terugvinden, maar onhandig is het wel. De vele extreem lange voetnoten verhinderen bovendien het rustig lezen van de hoofdtekst; ze hadden beter als bijlagen achterin opgenomen kunnen worden.

Dit is een bezwaar tegen het redactionele concept van dit boek. Een ander bezwaar richt zich op de vormgeving. Dit boek wordt gepresenteerd als een lexicon, een naslagwerk, kortom een boek waarin men snel en doeltreffend iets in op kan zoeken. De vormgever Michel de Boer van Studio Dumbar heeft echter weinig nagelaten om het boek zo ondoordringbaar mogelijk te maken. De schreefloze letters, de smalle kolommen van de voetnoten en literatuuropgaven, leveren al een lelijk woord-en paginabeeld, maar dat kan nog een kwestie van smaak zijn. Dat is niet het geval bij de toepassing van grotere en kleinere lettercorpsen, van vet en cursief, mogelijkheden die helpen een hiërarchie in de mededelingen aan te brengen. Daar is op onlogische wijze gebruik van gemaakt, alsof het er niet toe doet wat je vandaag weer eens kiest voor corps of stijl. Dat wreekt zich vooral in deel 3 en 4. Die bevatten een onvoorstelbare hoeveelheid cijfers, (pagina- en voetnootaanduidingen, vondstnummers, cijfers die hoeveelheden aangeven) afkortingen van literatuur-en illustratieverwijzingen, verblijfplaatsen, interne verwijzingen, alle met hun eigen specifieke codes. Om die codes te begrijpen moet de lezer ofwel telkens naar een van de twee gebruiksaanwijzingen terugbladeren, of die gebruiksaanwijzingen uit zijn hoofd leren. Alsof dat allemaal niet genoeg is wordt de zaak nog eens voorzien van kaderlijntjes balkjes, blokjes, driehoekjes, al of niet blanco, zwart of gearceerd. Zelden heb ik een betere uitwerking gezien van het motto "Waarom eenvoudig als het ook ingewikkeld kan'.

"Met geen drooge oogen om tesien' De ondergang van het VOC-retourschip 't Vliegend Hart in 1735

door A.J. van der Horst

80 blz., geïll., De Bataafsche Leeuw 1991, f 29,90

ISBN 90 670 7272 9

Acht jaar voor de Hollandia teloor ging, liep 't Vliegend Hart voor de kust van Vlissingen aan de grond. Bij bergingspogingen kort na de ramp werden 700 flessen wijn gevonden, maar het duurde nog tot 1980 voor met moderne apparatuur gedoken werd. Met succes. Er kwamen duizenden Mexicaanse realen en gouden dukaten aan de oppervlakte. Het feestgedruis werd enigszins overstemd door de bovengenoemde controverse tussen commercie en wetenschap die zich hier openbaarde. Het Rijksmuseum, dat aanvankelijk participeerde, trok zich terug, omdat men het onderzoek van onvoldoende wetenschappelijk gehalte achtte. Dit boek heeft dan ook een apologetische ondertoon; het wil het onderzoek verdedigen. Het beschrijft de geschiedenis van het schip, de duikresultaten, de conserveringsmethodes en bevat een groot aantal kaartjes en tekeningen en foto's van gevonden voorwerpen. Dit boek biedt de mogelijkheid om de hanteerbaarheid van het Hollandia lexicon te beproeven. De stijl is wat stroef en het boek zou gewonnen hebben bij een strengere redactie en een aantrekkelijker vormgeving.

Batavia, de terugkeer van een retourschip

P. Gretler, R. Parthesius, A. van der Zee

112 blz., geïll., Sdu-uitgeverij 1991, f 27,90

ISBN 90 12 06873 8

Behalve scheepsarcheologen en historici kunnen ook de bouwers van reconstructies van VOC-schepen profiteren van het Lexicon. In Lelystad nadert de Batavia zijn voltooiing. Het schip strandde in 1629 op de westkust van Australië. Dit publieksboek beschrijft de ongelukstocht van het schip, de muiterij na de stranding, de herontdekking van het wrak en de motieven om tot een reconstructie te komen. Over die reconstructie waarbij ambachtelijk inzicht en materiaalkennis gebundeld worden met historisch onderzoek geeft het boek onder andere door middel van korte interviews met de bouwers een goed inzicht.

Batavia, de herbouw van een Oostindiëvaarder

door R. Parthesius (red.)

64 blz., geïll., Batavia Cahier 3. Uitg. Stichting Nederland bouwt VOC-retourschip. 1991. Prijs ƒ 15,--

ISBN 90 73857 03 1

De bouwers van de Batavia-reconstructie geven zelf een reeks cahiers uit over de technische aspecten van het schip. Het zijn korte duidelijke uiteenzettingen met verhelderende tekeningen en illustraties. Nummer 3 bevat acht artikelen over de bouwmethoden, over de houten beelden die tot de scheepssier behoorden, over het geschut, over de stagen waarmee masten en stengen worden vastgezet en over het nut van archiefstukken, zoals het VOC-boekhoudjournaal.

Echt relaas en dagverhaal, wegens de opstand en het afloopen van 't Oostindisch Compagnie-schip Nijenburg

door Nienke de Jonge, Leonoor Kuijk en Liesbeth Oskamp, red.

98 blz., geïll., Terra Incognita (p/a Instituut voor Neerlandistiek, Spuistraat 134 1012 VB Amsterdam) 1992, f 17,50

ISBN 90 73853 03 6

In 1763 brak muiterij uit op het schip de Nijenburg, dat op weg was naar Indië. Waarschijnlijk broeide er direct na vertrek al iets onder een aantal Duitse bemanningsleden. In ieder geval werd ter hoogte van de Kaap Verdische eilanden de schipper buiten spel gezet en koerste het schip naar Brazilië. Een deel van de bemanning ging daar van boord en slaagde er in enkele maanden te leven als God in Frankrijk. De van boord meegenomen zilverstaven stonden daar borg voor. Een ander deel van de bemanning bereikte Suriname. Hoe zonnig en avontuurlijk het er aanvankelijk ook uitzag, het liep slecht af. De muiters werden ingerekend en deels in Suriname en deels in het vaderland veroordeeld en berecht. De muiterij en de afloop ervan was een sensatie die aanleiding gaf tot de publikatie van enkele verslagen en zelfs van een aantal liedjes. Het relaas van kapitein Jacob Ketel en vier liedjes is op een sobere wijze geannoteerd uitgegeven door drie studenten Neerlandistiek in de nieuwe serie Terra Incognita.

Harde heelmeesters. Zeelieden en hun dokters in de 18de eeuw

door A.E. Leuftink

253 pag., Walburg Pers 1991, f 39,50

ISBN 90 6011 736 0

De reizen van de Batavia, de Hollandia, 't Vliegent Hart en de Nijenburg waren ongeluksreizen, maar in die zin uitzonderingen. Als de zeeman de statistieken zou hebben kunnen lezen, die tegenwoordig over tweehonderd jaar vaart van en naar Oost-Indië te maken zijn, dan had hij gezien dat slechts vijf procent van de schepen te gronde is gegaan. Fatale muiterijen kwamen nog minder voor. Veel bedreigender waren de ziektes aan boord. Dat is niet verwonderlijk wanneer men de slechte conditie van de zeevarenden in aanmerking neemt, de kou, hitte en het vocht waaraan ze waren blootgesteld, de gebrekkige kleding, het eenzijdige voedsel en het bedorven drinkwater. De onlangs overleden arts A.E. Leuftink heeft in zijn boek de omstandigheden geschetst waaronder de chirurgijns hun werk moesten doen. Wondbehandeling ging hen nog redelijk af, maar tegenover infectie en deficiëntieziektes, in de eerste plaats scheurbuik, tyfus en dysenterie, stonden zij machteloos. En van psychische problemen die konden uitlopen tot krankzinnigheid en zelfmoord en door een van de scheepschirurgijns ooit samengevat onder de noemer "groote melankolij' hadden ze al helemaal geen kaas gegeten.

Het waren niet de beste chirurgijns die meegingen. De Middelburgse arts Paulus de Windt schetste in 1764 de loopbaan van 13- of 14-jarige chirurgijnsleerlingen die naar Indië vertrekken en, wanneer hun bazen het loodje leggen al snel moeten optreden als apotheker of dokter "zonder ooit gronden van Anatomie, Chirurgie of Medicine te hebben kunnen leggen'. Maar het is de vraag of een volleerd dokter wel zoveel had kunnen uitrichten. Alle pogingen tot verbetering (het bijhouden van een journaal om een beter inzicht in de frequentie van ziekten te krijgen, herziene lijsten met medicamenten, het reinigen en zuiveren van het schip met azijn en het uitroken met jeneverbes) hielpen niet. Hooguit hebben de met veel zorg toegediende papjes en brouwsels als placebo's hun werk gedaan. Leuftink behandelt ook de gezondheidstoestand op de transatlantische vaart, de walvisvaart en bij de marine. Het betoog van Leuftink is hier en daar wat brokkelig en niet altijd geeft hij zijn bronnen.

De nadagen van de Verenigde Oostindische Compagnie, 1783-1795. Schepen en zeevarenden

door I. G. Dillo, 304 blz., De Bataafsche Leeuw 1992, f 39,90

ISBN 90 6707 296 6

Heeft de slechte conditie van de matrozen de ondergang van het bedrijf mede in de hand gewerkt? Het is wel zeker dat de Compagnie in de achttiende eeuw te kampen kreeg met een ernstig personeelstekort. Enerzijds waren er meer matrozen en soldaten nodig, anderzijds nam het aanbod in Nederland zelf af. In toenemende mate werden mannen aangenomen uit Noord Duitsland en Scandinavië, al bleef men voor het hogere personeel een beroep doen op Nederlanders. De buitenlanders waren niet zelden onervaren, ze hadden soms nog nooit de zee gezien, en wat erger was, ze bevonden zich in een slechte conditie. Dat een schip met een dergelijke bemanning niet optimaal functioneert spreekt vanzelf, maar de ondergang van het bedrijf is niet alleen daar aan te wijten.

Ingrid Dillo concentreert zich in haar proefschrift op de periode 1783-1795 en wel op het scheepvaartbedrijf. Ze beschijft op overzichtelijke wijze de omstandigheden die - zeker in later perspectief - de ondergang van de Compagnie onvermijdelijk hebben gemaakt en behandelt de vergeefse pogingen die de directie ondernomen heeft om het bedrijf nog op een juiste koers te krijgen. In 1780 was de Vierde Engels Oorlog uitgebroken. De superieure Engelse marine maakte de vaart van en naar Indië onmogelijk. In Azië werden de opgeslagen goederen niet verscheept en wreekte zich het tekort aan betaalmiddelen waardoor het personeel niets meer kreeg uitgekeerd. In het vaderland zelf lagen de schepen werkeloos te rotten en kwamen er geen inkomsten uit veilingen binnen. Alleen door het varen onder neutrale vlag viel er nog wat te redden. De schade bedroeg ruim veertig miljoen gulden.

Na de oorlog dacht men na een snelle herstelperiode de draad weer te kunnen oppakken. Inderdaad kwam mede dank zij forse financiële overheidssteun, door het huren en kopen van schepen de vaart op Indië en het vrijkomen van voormalig marinepersoneel de verbinding met de Oost weer op gang. Maar de breuk die de oorlog had veroorzaakt bleek geen incident te zijn. Er was meer aan de hand, er waren structurele problemen, waar men maar langzaam oog voor kreeg. De concurrentie met de Engelsen en Fransen vormde een toenemende bedreiging, de beheerskosten in Azië waren reusachtig gestegen en veranderingen in het handelspatroon hadden de winstmarge op een aantal produkten verminderd. Toen het begon te dagen dat de oude tijden voorbij waren benoemde men in 1790 een commissie. Ook toen al geloofden dergelijke commissies in bezuinigingen als panacee. Er werd bezuinigd op de uitrusting van de schepen, op het werfpersoneel en men zond minder schepen uit. Men experimenteerde ook met andere types schepen en met het huren van schepen inclusief bemanning. Want het personeelstekort hield aan. Het hielp niet. En noch op het gebied van verbetering der werkomstandigheden noch op dat van de gage-verhoging is veel gebeurd om de Compagnie als werkkring aantrekkelijker te maken. Het zou toch al te laat zijn geweest. Het tij was niet te kleren. Te lang had men in de continuteit geloofd.