"CDA is christelijk maar niet kerkelijk'

DEN HAAG, 5 SEPT. “Het CDA is geen kerkelijke partij. Het is geen geloofsgemeenschap. Individuele leden plegen elkaar niet de maat te nemen in het dagelijks politiek handelen. Meneer Leerling van de RPF doet dat wel.”

Minister-president Lubbers reageerde zo na de wekelijkse ministerraad op eerdere uitlatingen van CDA-partijvoorzitter W. van Velzen over het christelijk karakter van zijn partij. In het dagblad Het Binnenhof had deze verklaard dat het CDA “geen christelijke partij” is. Na de commotie die hierover ontstond in de fractie en in lokale afdelingen heeft Van Velzen eergisteren deze uitspraak genuanceerd in een brief aan partijbestuur, Kamerleden en Kamerkringen. “Ik vind het erg jammer dat bij sommigen het beeld is ontstaan dat voor het CDA en/of ondergetekende de christelijke inspiratie er niet meer toe zou doen” schreef van Van Velzen. “Niets is minder waar.”

Lubbers juichte deze rechtzetting van Van Velzen toe. Volgens de premier heeft de partijvoorzitter willen zeggen dat het CDA geen kerkelijke partij is “in de zin van hiërarchie en ordening”. Lubbers: “Het CDA kun je gerust een christelijke partij noemen, maar het neemt individuele mensen niet de maat”, aldus Lubbers. Het gaat in de ogen van de CDA-leider voor CDA'ers om de spelregels van de democratie en niet om de spelregels van de kerk. “De essentie is dat de mensen het zelf uitmaken. Zij zijn geen kerkelijke geloofsgemeenschap in de zin van die structuur, maar wel een gemeenschap van gelovigen”.

De controverse rond de uitspraken van Van Velzen vormen niet het enige incident dat vragen oproept over de relatie tussen de grondslag van het CDA en de handelwijze van zijn vertegenwoordigers. Het weekblad Vrij Nederland meldt deze week dat drs. A.A. Soetekouw, een van de topmensen bij NMB/Postbank die onder druk van De Nederlandsche Bank gedwongen werd zijn functie neer te leggen omdat hij met voorkennis in aandelen zou hebben gehandeld, lid is van het partijbestuur van het CDA. Soetekouw blijft gehandhaafd als lid van het bestuur, volgens partij-voorzitter Van Velzen onder meer omdat de voorkennis niet is aangetoond.

De controverse rond Van Velzen zelf komt voort uit de affaire-Ramlal. Deze Haagse oud-wethouder die ervan wordt beschuldigd betrokken te zijn bij fraude in het gemeentelijke welzijnswerk, werd enkele maanden geleden Tweede-Kamerlid voor het CDA. Bij zijn beëdiging zwoer de hindoe Ramlal de christelijke eed. RPF-fractievoorzitter Leerling zette daar vraagtekens bij. Van Velzen verdedigde in Het Binnenhof de positie van Ramlal waarbij hij zijn controversiële uitspraken deed over het confessioneel karakter van het CDA.

Van Velzen is overigens niet de eerste die rept van het CDA als niet-christelijke partij. In 1975 wekte de toenmalige KVP-fractievoorzitter F. Andriessen de gramschap van ARP-leider W. Aantjes door te stellen dat het pas opgerichte CDA geen christelijke of confessionele partij moest zijn. Hij pleitte voor een open volkspartij die zich ook moest richten op niet-christenen. Aantjes vond echter juist dat dat het CDA als christelijke partij zich alleen op christenen kon richten en zich louter door christenen kon laten vertegenwoordigen.

De zaak liep hoog op. Protestanten en katholieken vonden elkaar uiteindelijk in de compromis-formule dat beleid en programma van het CDA “een antwoord vormen op de uitdaging van het Evangelie” maar dat het handelen van individuele personen niet aan deze uitgangspunten gebonden kon worden. Deze dienden te fungeren als inspiratiebron, niet als kwaliteitsstempel.

Ook nu weer is de vraag aktueel in hoeverre het CDA zich moet opstellen als brede middenpartij of als christelijke partij. Sinds april discussieert het CDA over een concept-program van uitgangpunten dat het tien jaar oude programma moet vervangen.