Bedrieglijke werkelijkheid in herkenbare foto's van Robbé

Tentoonstelling: "Seeing Things"; fotowerken van Lon Robbé in de serie Momentopname van het Stedelijk Museum Amsterdam, 4 t/m 27 sept.

AMSTERDAM, 5 SEPT. Vandaag begint in het Amsterdamse Stedelijk Museum een kleine tentoonstelling van fotowerken van Lon Robbé (1946). Gedrenkt in een onwerkelijk licht kijken de voorwerpen die Robbé fotografeert ons aan. Alledaagse voorwerpen zijn het, een gloeilamp, een glas, een herenschoen. Duidelijk herkenbaar, maar toch vervreemd. Het glas is niet doorzichtig maar beslagen, de gloeilamp lijkt van gips en de schoen is wit en rubberachtig. Het gefotografeerde ding is nu eens transparant, dan weer melkwit terwijl de omgeving in duister is gehuld.

Kijken we naar het negatief van die voorwerpen? In zekere zin wel: Robbé besmeert de gekozen objecten met vloeibare latex en ze maakt er een afgietsel van - een exacte kopie, maar leeg, ontzield om zo te zeggen. Hun uiterlijk is hetzelfde gebleven, maar hun oorspronkelijke eigenschappen zoals materiaal, gewicht, transparantie en massa - de karakteristieken die een ding nu juist maken tot het ding dat het is - ontbreken. Door de wijze van belichting lijken ze soms van binnenuit te stralen; Robbé's objecten zijn schijngestalten die de essentie van het echte voorwerp waarvan ze afstammen, weergeven.

Een paar jaar geleden maakte de kunstenaar, die autodidact is en ongeveer tien jaar geleden professioneel begon te fotograferen, haar misschien bekendste foto tot nu toe: een fauteuil en een glas water die broederlijk naast elkaar staan, precies even groot. Het op hol slaan van de afmetingen van voorwerpen is voor wie goed kijkt nu in het Stedelijk ook waarneembaar. Het gefotografeerde glas dat bijna zo groot als een mensenhoofd is, heeft te grove details, een proportioneel te dikke rand bijvoorbeeld. Het is - net als de fauteuil van destijds - een glas op poppeformaat, opgeblazen tot dat van een reus.

“Deze piepkleine modelvoorwerpen zijn noodzakelijkerwijs minder gedetailleerd dan het echte gebruiksvoorwerp waarvan ze zijn afgeleid. Die rudimentaire vorm, de minimale details laten toch heel duidelijk zien: dit is een glas, een kast, een stoel”, aldus de tot kunsthistorica opgeleide Robbé, die drie jaar geleden haar baan aan de Universiteit van Groningen opzegde. “Over alledaagse dingen kijken we heen, ze hebben alleen nog een naam maar ervaren doen we ze niet meer. Het gaat mij niet om dat glas of die schoen, niet om de dingen zelf maar om onze verhouding daartoe.”

Robbé wil de afstand tussen ons en de dingen die zij bedoelt, kleiner maken. De voorwerpen die zij eerst letterlijk dichtbij haalt door ze in close-up intiem uit te lichten, worden toch weer onbereikbaar doordat ze niet tastbaar zijn maar vastgelegd met de camera; uiteindelijk komen ze plat en onaanraakbaar op het doek terecht. Door fotografisch linnen als drager te nemen en dat soms op een spierraam te spannen maakt Robbé haar opnames wel weer tot een ruimtelijk object. De herkenbaarheid van haar "modellen' is bedrieglijk, ze zijn van figuranten veranderd in hoofdrolspelers, soms larger than life. De schoen zou ons moeiteloos kunnen verpletteren als hij een wil had - en dat laatste begin je bij langer kijken steeds minder onwaarschijnlijk te vinden.

Als kunsthistorica noemt Robbé Duchamp en Warhol, die zichzelf zagen als niet meer dan een medium; zelf wil Robbé eveneens elke persoonlijke expressie vermijden. “Zelfexpressie hoort in mijn ogen bij een romantische kunstopvatting. Bovendien zou zo'n persoonlijke kleuring het zicht op de vastgelegde voorwerpen belemmeren, terwijl ik dat zicht nu juist wil ontdoen van sluiers. Ik wil evenmin iets nieuws construeren, heb geen enkele behoefte iets toe te voegen aan de talloze dingen die al bestaan. Ik richt me op het bestaande, op de verhouding tussen ons en het ons omringende.”

"Ontdingen' noemt Robbé het proces van afgieten en "opbaren' van de gekozen objecten. “Zo ontdoe ik ze van hun ballast, van de onzichtbaarheid die ze aankleeft, de onverschilligheid waarmee ze bekeken en behandeld worden. Ik vind het leuk dat je bij het kijken naar mijn werk vaak de woorden kwijtraakt die bij de objecten 'horen'. De dingen moeten nu eindelijk maar eens voor zichzelf spreken.”

Een goed voorbeeld daarvan is de foto van een rechthoek met twee heuveltjes die in het Stedelijk hangt. Waar ken ik dat toch van? vraag je je af om na enig peinzen tot de slotsom te komen dat het een plastic rekje met haakjes moet zijn, zo een waar theedoeken aan hangen. Robbé wil ons de dingen intenser laten ervaren en verwijst daarbij naar Proust: “De intensiteit van de ervaring wordt vóór alles gevoed door de herinnering.”

Dat die ervaring vooral zintuiglijk is, besef je opnieuw tijdens het bekijken van Robbé's werk. De voorwerpen krijgen een bijna lichamelijke aanwezigheid, mede door het halftransparante, soepele latex dat associaties wekt met huid. Dat je ze niet kunt aanraken, versterkt het erotische effect. Misschien omdat de essentie van erotiek is dat het object van begeerte nooit helemaal bereikbaar is, niet werkelijk in bezit genomen kan worden. Zo wordt het verlangen in stand gehouden.