Advocaat als voetballer produkt van de straat; Als ik ze tegenkom is het "dag Wil' en "dag meneer Michels'

Dick Advocaat debuteert woensdag in Eindhoven als bondscoach van het Nederlands elftal in de oefenwedstrijd tegen Italië. De 44-jarige Hagenaar moet ervoor zorgen dat Oranje zich voor het WK van '94 in de Verenigde Staten plaatst om daarna door Johan Cruijff te worden afgelost. Gesprek met de 27ste bondscoach in de geschiedenis van Koning Voetbal.

In zijn twintigjarige profloopbaan voetbalde Dick Advocaat één keer samen met Johan Cruijff. Dat was in een wedstrijd in Amsterdam met een elftal van in Amerika spelende Nederlanders, de Orange Yankees, tegen Ajax. “Dat was niet echt een succes. We verloren, geloof ik, met 9-1.”

Advocaat en Cruijff speelden wel regelmatig tégen elkaar. Ze waren dan als middenvelder en spits weliswaar geen rechtstreekse opponenten. “Maar een speler als Cruijff kwam je toch altijd wel tegen in een wedstrijd”, zegt Advocaat. Hij herinnert zich tijdens een ontmoeting tussen Ajax en ADO een incident met Cruijff. “Ik maakte een overtreding en hij trapte na. Werd hij er uitgestuurd. Moest ik later in Utrecht bij de arbitragezaak verschijnen. Cruijff werd vrijgesproken toen ik had gezegd dat er sprake was geweest van een misverstand.” En lachend op de vraag of dat ook echt zo was: “Ik dacht wel dat hij me wilde raken.”

Dick Advocaat was als voetballer een produkt van de straat. Hij bracht in zijn jeugd dagelijks uren door, buiten trappend tegen een bal. Hij groeide op in de Haagse volksbuurt Transvaal, in de nabijheid van het Zuiderpark. De straat waarin hij woonde, de Majubastraat, was ideaal om te voetballen. Aan één kant stonden huizen, aan de andere kant een school. Daar waren op twee blinde muren doelen gekrijt. Advocaat: “Auto's stonden er in die tijd nog niet. De mensen waren al blij als ze een fiets hadden.”

Harrie Vos, ex-ADO en Feyenoord en Oranje-reserve tijdens het WK'74, woonde er ook en was Advocaats gabber. Later voegde ook Aad de Mos (“Hij was van de Moerweg”) zich ook bij het vaste groepje. “Ik denk”, zegt Advocaat, “dat je door het voetballen op straat tactisch werd geschoold. Als je partijtjes van twee tegen twee of drie tegen drie speelde moest je zelf naar oplossingen zoeken. Tegenwoordig wordt een voetballer alles verteld bij zijn club.” Advocaat weet niet of bijna geheel verdwijnen van het straatvoetbal nadelig is geweest voor de kwaliteit van het Nederlandse voetbal. “Vandaag de dag hebben we toch ook uitstekende spelers.”

Advocaat vindt zichzelf als voetballer een “goede subtopper”. “Ik was een dienende speler. Ik kon vrij goed ballen afpakken en goed lopen.” Hij was van het soort Wim Jansen en Johan Neeskens. Van de huidige generatie vergelijkt Advocaat zich qua spelstijl met Jan Wouters. “Ik was ook een fanatieke speler. Ik denk wel dat Jan iets meer kwaliteit heeft dan ik destijds.”

Advocaat weet hoe het voelt om het oranjeshirt te dragen. Hij speelde “een stuk of vijftien” interlands als UEFA-international. Jan van Beveren, Ruud Geels en Jan Boskamp behoorden destijds tot zijn ploeggenoten. George Kessler was de coach die het jeugdelftal bij het EK in Joegoslavië begeleidde. “Natuurlijk was ik trots. Dat oranjeshirt trekt altijd. Dat merk ik nu ook weer.” Het A-elftal bleek te hoog gegrepen. “Ik had destijds een paar aardige jongens voor me: Neeskens, Jansen, Van Hanegem, Gerrie Mühren. En ik speelde bij ADO, hè, en niet bij Ajax of Feyenoord.”

ADO was dé trots van de Haagse voetbaljeugd. Iedereen wilde lid worden. Advocaat werd op tienjarige leeftijd aangenomen. Rood-groen betekende alles voor hem. “Je had je school én vooral ADO.” Dick Advocaat zegt zich nog “als de dag van gisteren” het debuut van zijn zeven jaar oudere broer Jaap in het eerste elftal van ADO op Spangen tegen Sparta te herinneren. “Ik hoorde op zaterdag dat hij mocht meedoen en ging het iedereen vertellen. Mijn eigen broer in ADO 1, dat was wat.”

Zelf zag hij de wedstrijd niet. Hij had geen vervoer naar Rotterdam. Dick Advocaat, elf jaar toen, zat voor de radio. “Ik hoorde: Sparta-ADO 0-1, doelpunt Jaap Advocaat. ADO verloor uiteindelijk met 4-1.” Zijn broer werd nooit een vaste kracht in het Zuiderpark. Hij speelde na ADO nog bij een aantal andere, inmiddels verdwenen, profclubs: Leeuwarden, Sportclub Enschede, Zwolsche Boys en Holland Sport. “Ik heb met ADO 2 nog tegen Jaap gespeeld. Hij speelde toen in Holland Sport 2.”

Dick Advocaat moest zelf, zo vond hij, tamelijk lang wachten voordat hij bij ADO een basisplaats kreeg. Hij was 21 jaar. “Er werd destijds nog met twee middenvelders gespeeld. Dat waren bij ADO De Zoete en Houwaart. Daar kwam je niet tussen. Toen het systeem 4-3-3 werd ingevoerd, was er een plekje meer te verdelen.”

Daarna was hij niet meer weg te denken in de opstelling van ADO en later FC Den Haag. Advocaat: “Ik behoorde in Den Haag tot de inboedel. Totdat ik ineens een geweldige aanbieding van Roda JC kreeg.” Na Roda speelde de huidige bondscoach ook nog voor VVV, het Amerikaanse Chicago Stings, weer FC Den Haag, Sparta, het Belgische Berchem Sport en FC Utrecht. Advocaat speelde lang door, tot zijn 36ste jaar. “Ik heb het overal naar mijn zin gehad. Dat is heel belangrijk.”

Tijdens zijn periode in Chicago zeiden verscheidene mensen voor het eerst serieus tegen Advocaat dat hij later trainer moest worden. “Ik praatte veel in het veld. Dat viel op. Ik ben ook bijna bij elke club waar ik heb gespeeld aanvoeder geweest. Ik lette overal op.” Hij zag zelf ook wel brood in het trainersschap. Advocaat haalde op 25-jarige leeftijd zijn eerste diploma. De andere volgden later. “Ik dacht dat ik na mijn actieve carrière naast mijn werk wel een amateurclub kon gaan trainen of misschien assistent in het betaald voetbal kon worden.”

Advocaat boekte echter bij zijn eerste club, DSVP uit Pijnacker, al meteen opvallend succes en werd, in 1984, door Rinus Michels voor de technische staf van de KNVB aangetrokken. Advocaat: “Binnen twee maanden was ik assistent-bondscoach. En ik had toen niet eens het hoogste diploma. Het kan gek lopen.” Vervolgens trainde hij twee profclubs, Haarlem en SVV, maar Michels haalde hem weer terug naar Zeist. En nu is Advocaat diens opvolger als bondscoach van Oranje geworden. “Of ik geluk heb gehad? Natuurlijk. Maar het hele leven draait toch om geluk? Michels zocht destijds waarschijnlijk een praktijkman met veel ervaring. Wim Jansen was de eerste keuze. Die wilde niet. Ik wel.”

Van de vele trainers onder wie hij trainde noemt Advocaat er drie: Ernst Happel, Vaclav Jezek en, uiteraard, Michels. Met de Tsjech Jezek lag hij bij FC Den Haag regelmatig in de clinch. Advocaat: “Ik vond hem onrechtvaardig. Hij had zijn voorkeuren. Dat kan niet. Spelers prikken daar zo doorheen.”

Advocaat maakte Happel in zijn jongste profjaren mee, maar toch heeft hij het nodige van de Oostenrijker opgestoken. “Ik heb als trainer nog weleens een kunstje van Happel gebruikt. Ik heb bij ADO een paar dagen niet met hem gepraat om aandacht van hem te krijgen. Maar hij kon dat beter. Hij zei gewoon vier weken niets meer tegen me. Toen moest ik wel met hangende pootjes naar hem toe. Later heb ik bij Haarlem ook eens zo tegen een speler gedaan.”

“Happel kon je ergens van overtuigen. Ik weet nog dat ik een keer tegen NEC voorstopper moest spelen. Ik stond tegenover Geutjes. Die was drie koppen groter dan ik. Maar Happel zei vooraf: jij wint alles in de lucht. En dat hielp. Ik won alles.” Happel leerde Advocaat ook om bij balbezit meer om zich heen te kijken. “Hij had gezien dat ik te veel met mijn kop naar beneden liep. Daarom mocht ik op de trainingen de bal maar twee keer raken. Dat heeft hij maanden volgehouden.”

Happel, tegenwoordig bondscoach van Oostenrijk, is zoals bekend een man van weinig woorden. Bij Advocaats promotie van de tweede naar de eerste selectie van ADO riep de trainer met zijn bekende accent alleen diens naam, “Diekkie”, en knikte vervolgens in de richting van de kleedkamer waar de hoofdmacht zich pleegde te verkleden. Dat was het dan. “Hij hoefde ook niet veel te zeggen. Happel had een enorme uitstraling en zag er goed uit. Hij had maling aan iedereen. Hij was erg afstandelijk, behalve met kaarten.”

Ook Rinus Michels is zo'n type. “Maar hij heeft wel veel contact met zijn naaste medewerkers”, vertelt Advocaat. Een kwaad woord over Michels komt niet over zijn lippen. Hij zegt in de vijf jaar dat hij diens assistent is geweest heel veel te hebben geleerd. Zijn respect voor zijn voorganger is groot. Advocaat bleef De Generaal dan ook tot de laatste dag van hun samenwerking met “meneer Michels” aanspreken. “Hij heeft me vaak genoeg gezegd dat ik "Rinus' mocht zeggen. Maar dat deed ik niet. Dat heb je soms met mensen. Tegen Michels' grote vriend Rolf Leeser zeg ik wel "Rolf' en die is van dezelfde leeftijd. En zijn vrouw spreek ik met "Wil' aan. Dan is het "dag Wil, dag meneer Michels'.”

Advocaat heeft sinds het EK in Zweden nog ten minste één keer per week contact met zijn oude baas. Advies heeft hij hem echter niet gevraagd. “Ik moet het nu zelf doen. Maar ik weet zeker dat we praktisch dezelfde ideeën hebben. Dat geldt trouwens ook voor Cruijff. Als we afzonderlijk van elkaar een elftal zouden samenstellen, zou dat waarschijnlijk op één en hoogstens twee plaatsen verschillen.”

“Een trainer”, oordeelt Advocaat, “is een bindmiddel voor een elftal. Hij is een onderdeel in het geheel, maar wel een belangrijke. Natuurlijk kan een trainer invloed hebben op het resultaat. Waarom doet een elftal het soms veel beter nadat er van trainer is gewisseld?” Wat maakt Advocaat, bekend om zijn tactisch inzicht, zo populair bij de topvoetballers? “Ik denk”, probeert hij zelf een antwoord te vinden, “dat ze het prettig vinden dat ik altijd mezelf ben. Ik speel geen spel.”