Wij spreeuwen

Ik herinner mij boven de polder een potvis. Het was 8 september 1990, de zon ging onder in heftig oranje. Hij vloog naar het noorden en duurde maar even, onmiskenbaar een potvis.

Spreeuwen. Spreeuwen hebben een aanstekelijke voorkeur voor spreeuwen. Vandaar die onafzienbare avondvluchten. Kijk toch wat een boel spreeuwen we zijn! En ze willen allemaal in het midden, stuk voor stuk willen ze baden in de spreeuwen. Vandaar de samenhang, de dynamiek van die vluchten.

Duizenden, tienduizenden. Ze huizen in het geriefbos van een boer die Piet heet en eeuwig op een sigaar loopt te kauwen. Juist als de polder zich te slapen legt, moeten zij nog even met z'n allen de baan op. Rorschach in het vrije veld.

Eerst een bal. Die rolt voort en kaatst tegen een onzichtbaar obstakel. Aan de onderkant komt er een slurf uitzakken: bal wordt komma. Vervolgens de kaart van Afrika. Opeens wordt de atlas dichtgeslagen en als hij weer opengaat, blijkt Afrika op z'n kant te liggen. Vanuit deze vorm is het nog maar een paar vleugelslagen tot een potvis.

Enige idee hoeveel spreeuwen er in een potvis gaan? Hoeveel macht het vergt om een potvis in de lucht te krijgen?

Dit jaar heb ik in de polder nog nauwelijks spreeuwen gezien. Maar in m'n achtertuin des te meer. Pruttelend van genot doen ze zich te goed aan de bessen die er hangen. Voor bessen was het een beste zomer.