Televisiefan

Vorige keer heb ik verteld dat ik een televisiefan ben. Vooral de laatste tijd kijk ik dagelijks en vaak verschillende keren op een dag.

Ik moet wel kijken. Een man met ontbloot bovenlijf verschijnt in beeld. Hij wil iets zeggen, maar hij kan het niet. Hij wil huilen, maar hij heeft geen tranen meer. Hij wijst alleen maar naar een plek buiten beeld en zegt: “Kijk, kijk.” Ik krijg deze scène meermalen te zien, eerst op CNN, dan op BBC, en op de Nederlandse, Duitse en Franse netten. De man zegt: “Kijk, kijk.” En ik kijk...

Wat heb ik gezien waardoor ik moet huilen? Ik heb gezien dat wij allemaal mensen zijn. Sommigen kijken televisie, anderen verschijnen in beeld: Bosnische mannen in krijgsgevangenenkampen, broodmager, uitgehongerd; Bosnische kinderen, gestorven in de straten van Sarajewo; Bosnische vrouwen, jammerend met hun handen voor hun gezicht, en de Bosnische aarde, omgewoeld voor weer een nieuw kerkhof. Ja, ik heb het gezien. Ik zag ook mijn zus als klein kind, gezeten op mijn vaders schouders, wezenloos lachend. Mijn vader en moeder rennen, duizenden mensen rennen, op weg naar de schuilkelders. Het alarm klinkt, de Japanse vliegtuigen komen eraan. Mijn zusje is dolblij, ze klapt in haar handen en lacht alsof het feest is: “Mocht ik maar elke dag bij papa op zijn schouders zitten!” Ze was toen drie jaar.

Ik heb onlangs een brief van mijn vader gehad, waarin hij vertelde dat mijn zus (inmiddels 53) psychische problemen heeft. Mijn vader was zeer geëmotioneerd. Na de Japanse invasie waren mijn ouders voortdurend op de vlucht. Ze trokken van de ene plaats naar de andere. Ze konden hun dochter niet meenemen, dus lieten ze mijn zus achter onder de hoede van een boerenfamilie in de provincie Shaanxi. Pas na een jaar haalden ze haar weer op. Ze noemde hen toen al geen "papa' en "mama' meer. Ze is zelfs een keer van huis weggelopen om weer naar die boerenfamilie te gaan. Mijn zus heeft er een complex aan overgehouden. Tussen haar en mijn ouders is altijd een afstand blijven bestaan. Tot op de dag van vandaag lijden mijn bijna tachtigjarige vader en mijn ruim vijftigjarige zus nog steeds onder die pijnlijke herinneringen.

Die Bosnische kinderen die door VN-soldaten werden weggeleid, angstig vanuit de bus naar buiten kijkend, zullen worden verspreid over verschillende landen. Niemand weet of ze hun vaders ooit nog zullen terugzien. En die kinderen die door artsen op de operatietafel worden gelegd om kogels te verwijderen: ze huilen, hun mond zo wijd geopend dat er een microfoon in past. De hele wereld kan ze horen huilen. Soms zijn hun moeders, die vrouwen die over straat rennen om brood te kopen, al door kogels getroffen, soms nog niet, maar brood is er in ieder geval niet meer. Ik moet denken aan wat een Nederlands meisje mij over haar jeugd vertelde: “Als ik vroeger zei dat ik iets niet lekker vond, dan zei mijn oma altijd: “Eten is altijd lekker.”

Vertrapt

Ik heb nooit een burgeroorlog meegemaakt, maar wel een slachting onder mijn eigen volk. Honderdduizenden Chinese intellectuelen leven om die reden in ballingschap. Wanneer ze samenkomen, zingen ze altijd spontaan het lied Mijn huis staat bij de Songhua-rivier. Bij de regel “Wanneer kan ik terug naar mijn beminde geboortegrond” heeft iedereen tranen in de ogen. Iedere Chinees kent dat lied. Het is een ballingenlied over de tijd dat het Chinese land werd vertrapt door Japanse soldatenlaarzen. In de loop der jaren is alles veranderd: tegenwoordig dragen we Japanse horloges en kijken we naar Japanse televisies, maar we zijn weer in ballingschap.

Ik heb laatst geschreven over het krankzinnige kannibalisme in de provincie Guangxi tijdens de Culturele Revolutie. Dat gebeurde niet uit honger, maar uit haat. Onlangs heb ik ook een historisch artikel gelezen waarin werd aangetoond dat Japanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Stille Zuidzeegebied Guineeërs, Indianen en Australiërs hebben gegeten. Soms aten ze ze levend. Het gebeurde uit honger en het was verboden om Japanners te eten. Mijn oom diende in het leger dat in Mantsjoerije tegen de Japanners vocht. Toen ze werden teruggedreven naar Siberië, heeft hij sneeuw, berevlees en zelfs wolvevlees gegeten. Een andere oom is in Noord-China op het slagveld gesneuveld. Hij was pas een jaar of twintig en had nog nooit een vriendin gehad. De Japanse keizer zal binnenkort op uitnodiging van de Chinese regering een bezoek aan Peking brengen. Hij is echter niet van plan om excuses aan te bieden voor de agressie jegens het Chinese volk. Hij zal hooguit verklaren dat het "betreurenswaardig' was dat "die oorlog' heeft plaatsgevonden. De Japanners herdenken jaarlijks de honderdduizend slachtoffers van de atoombom op Hiroshima. Maar ze hebben het maar zelden over de tweehonderdduizend Chinese mannen, vrouwen en kinderen die binnen drie dagen werden afgeslacht tijdens het "Bloedbad van Nanking' of over de tien miljoen Chinezen die in vijftien jaar tijds werden "vernietigd'.

Er zijn mensen die geen enkel berouw hebben van hun historische misdaden en het collectief geheugen veranderen en misvormen. Dat is een gevaar voor de toekomst voor de mensheid. Het is echter net zo gevaarlijk om alle historische schulden in het geheugen op te slaan en met het bloed van latere generaties te vereffenen.

Of het nu voortkomt uit religieuze, nationalistische of nog gecompliceerdere redenen: een bloedbad is de grootste misdaad. Als de Serviërs niet bij zichzelf te rade gaan en geen berouw tonen, zal een gewapende interventie door VN-soldaten alleen maar tot meer geweld leiden, met als mogelijk gevolg dat de brandhaarden zich uitbreiden over de hele Balkan. Een oude Nederlander zei eens mopperend tegen mij: “Na twee oorlogen hebben wij in West-Europa al genoeg gevochten. Maar in het Oosten kunnen ze er geen genoeg van krijgen.

Peilloos

Dat geldt niet alleen voor Oost-Europa. Op een tentoonstelling in Bonn zag ik ooit een grote groene glazen kast vol met zandkorrels. Van bovenaf viel er per seconde viereneenhalve zandkorrel in. Dat symboliseerde de mensen die geboren werden. De korrels in de glazen kast stonden voor alle mensen die op dit moment leven. (Iedereen, zowel u, beste lezer, als ik, verblijft tijdelijk in die groene ruimte). Alle zandkorrels in die kast, dus wij ook, zakken langzaam naar beneden, waar ze uiteindelijk in een peilloos diep donker gat vallen. Dit is het beeld van ons kortstondige leven in een grimmig universum. Ieder mens krijgt maar één gelegenheid. Voor de meeste mensen is die ene gelegenheid een bezoeking. Ongetwijfeld is de snelheid waarmee de korrels in het donkere gat vallen verhoogd door toedoen van gebieden als Sarajewo, Georgië, Afghanistan en Zuid-Afrika. Naast de kast stond nog een groot bord met de tekst: “Elke dag wordt er op de hele wereld 2,5 miljard dollar besteed aan wapens.” Ik zou wel eens willen weten of er op onze haastige tocht nog iets meer bestaat dan alleen maar haat. Ik heb die vraag ooit gesteld aan een in Nederland in ballingschap levende Oosteuropese schrijver. Zijn antwoord luidde: “Kijk maar eens naar de geschiedenis. Volgens mij is de mensheid vergeleken met zeshonderd jaar geleden geen steek veranderd. Vandaar dat de personages in mijn verhalen volledig verzonnen zijn en niets te maken hebben met al dat bloeddorstige gedoe.” Ook heb ik een keer op een humanistisch congres aan een professor gevraagd waarom nationalistische gevoelens zo belangrijk waren. Kwamen wij soms allemaal van verschillende planeten? Hij moest hartelijk lachen en zei: “Misschien stammen wij wel af van verschillende dieren.”

Ik loop op en neer in mijn kamer. In mijn hand trilt een uitnodiging van de International P.E.N. Van 19 tot en met 24 april 1993 wordt hun 59e congres gehouden in Dubrovnik. Zal de oorlog dan afgelopen zijn? Wat voor gedicht ga ik dan voorlezen? In mijn gedachten komt voortdurend de titel bovendrijven van een lang gedicht dat zeventig jaar geleden werd geschreven door de Tsjechische dichter Seifert: Tranenstad.

Het wordt weer licht buiten. Een nieuwe dag begint. Ik kijk op mijn horloge: 5.08. De eerste trein doorbreekt de nachtelijke stilte. Hij rijdt langs mijn raam. Het is geen passagierstrein maar een goederentrein. Op de wagons staan de letters "VAM'. Ik weet niet wat het betekent, noch wat voor taal het is. Ik weet niet waar hij vandaan komt, noch waar hij naartoe gaat.

Ik neem aan dat het op zijn minst een lading voedsel voor Sarajewo is.

Ik zwaai naar de trein.